Trou moet blijcken

Is het geen wonder dat een gedichtje dat in Afrika zo'n beetje als een evergreen geldt en waar de onderwijzers, neem ik aan, de kinderen op school mee hebben doodgegooid, voor de meesten van ons weer helemaal nieuw is? Is het geen wonder dat we, terwijl we het voor de eerste keer lezen meteen begrijpen dat dit gedichtje gedoemd was een evergreen te worden?

Waarom? Als ik het zou kunnen uitleggen waren er geen wonderen meer. Ik kan alleen proberen het smalle gedichtje tegen het licht te houden. Dan zien we allereerst - dat het smal is. Korte regels, veel eenlettergrepige woorden, vooral staande rijmen. Die kranksinnige staat er boven. Het scharniert om de regels

Dis hy wat kerm en gil

maar ek is bang en stil

- sleutelwoorden die bijdragen tot de dunne kermende indruk die het gedicht maakt. IJl is het in dit heelal, ijlend. Woorden spannen samen met de vorm, het hamerende ritme is meteen een zielstoestand. De zuinigheid van het vers komt overeen met de vernauwing van de hersens. Het is bovendien een rond gedicht, weer uitkomend bij het begin - een geslotenheid die past bij obsessie.

In hierdie sel - we zitten meteen in de gevangenis. En al meteen daarop zitten we achter de grenzen van het vel en de hoge vensters van de ogen. Het lichaam is de gevangenis. Een nauwe behuizing met weinig licht. De huid kan de grens naar een buitenwereld van zintuiglijke sensaties niet overschrijden en de vensters zijn ontoegankelijk hoog. In die kerker bevinden zich twee mensen:

die een is gek

die ander, ek

- het Zuid-Afrikaans is speciaal door God ontworpen om ek op gek te laten rijmen. Twee zielen in een borst. Twee zielen die vechten om de heerschappij.

Nu, vechten is een groot woord. Degene die kermt en gilt heeft feitelijk al gewonnen, want het andere deel is bang en houdt zich stil.

Geen tweestrijd tussen een nobele aandrift en een laaghartige bijgedachte, geen strijd tussen goed en kwaad. De romantiek van het `twee zielen in een borst' die wikken en wegen moeten we hier vergeten, het gaat om de pure overname van het lichaam.

Er resteert in de ek nog een piepklein mannetje dat in staat is waar te nemen dat hij gek geworden is. Af en toe roert dat mannetje zich - in de kleine uren van de nacht, wanneer de wijzers van de klok door hun samenvallen hoog en smal zijn. De ene ek weet dat hij steeds krachtelozer vecht tegen de andere -

en as hy wen dan skree hy luid

- het klinkt of hij het de gewoonste zaak vindt dat de ander wint. Telkens als die ene weer wint... staat er eigenlijk. De luide schreeuw - in de cel, in de nacht - is er aldoor. Wij horen die triomfkreet voor het eerst, maar voor de krankzinnige is het een repeterend evenement. Aanhoudend kermt en gilt het in zijn geest, en pats - daar spat het weer uiteen in de finale gil. De stille ek krijgt de laars van de tiran in zijn nek en is gewurgd. Dan is er maar eentje de baas en die ene schreeuwt luid sy wrok teen God en wereld uit - de vijand die leven en schepping heet en die zo overweldigend is dat de gelederen worden gesloten. De wond tussen ek en de gek is gedicht.

Na de explosie van de langere regels is er rust. De aanhef wordt herhaald als een muzikaal motief. De cel is nu een `klein vertrek van vlees en been' - bevattelijker en milder. De twee verdwijnen haast tussen het voortstuwende rijm van been en een. Twee hoe-heten-ze-ook-alweer in een klein vertrek, het lijkt minder pijnlijk dan twee mensen in een cel.

Een is er nog altijd gek, jawel, maar

die ander, Ek

- ik met een hoofdletter. God zelf. De gek is klaargekomen. In de parodie door Breyten Breytenbach van dit gedicht (Kouevuur, 1969) luiden de slotregels

Die een is gek

die ander stapelgek

- dat heet de spijker op z'n kop slaan. Stapelgek ben je door je elke keer opnieuw gewonnen te geven. Het is een cyclisch gedicht. Klaarkomen is dus maar een adempauze en wat een einde leek begint morgen van voren af aan. De ik is opstandig tegen de God die hij zelf is. De ik zwicht vervolgens voor zichzelf. De God is de gek en de gek is de God. Er schuilen, als je het goed bekijkt, twee gekken in deze gek die allebei God zijn. Op een andere manier ontsnappen we niet aan het gedicht.