Teloorgang: Als Mulisch topauteur is, wordt hij in 2098 nog gelezen

Wacht Nederlands hetzelfde lot als het Latijn en het Keltisch? Niet waarschijnlijk, Maar een ramp zou die teloorgang niet zijn.

STEL DAT HET NEDERLANDS over honderd jaar niet meer bestaat. Zou dat erg zijn? De vraag is redelijk absurd, maar als gedachtenexperiment maakt zij duidelijk welke overwegingen meespelen in de wens het Nederlands te behouden. Is het erg voor degenen die dan het genetisch materiaal van de huidige inwoners van Neerland in hun ad'ren hebben vloeien?

Het antwoord is: nee. Net zo min als het erg is voor Italianen geen Latijn of voor Ieren geen Keltisch meer te spreken. Onze niet-Nederlands sprekende nakomelingen in 2098 weten niet wat ze niet spreken. Kinderen leren de taal die hun wordt aangeboden door hun ouders, door de school door de televisie, kortom door hun omgeving. Ze beschikken daartoe over een zeer krachtig en complex regelsysteem dat, eenmaal in gang gezet autonoom opereert. Dat komt doordat het systeem biologisch verankerd is en daarmee belangrijk voor het individuele overleven.

Biologisch gezien is er dus weinig aan de hand in dit experiment: een bekende vorm van aanpassing aan de omgeving zorgt ervoor dat de jonggeborenen vloeiend een taal leren spreken. Maar, zo werpen schrijvers te

gen, een kostbaar verleden raakt verloren. De nakomelingen worden afgesneden van een cultuur die het Nederlands als voertaal had, en met name van de literatuur, die onze cultuur voedt. Bij spellingsdebatten hoor je dit argument ook altijd.

Enige nuchterheid kan geen kwaad: wie goed schrijft, blijft. Klassieke auteurs beinvloeden nog steeds onze cultuur dus blijkbaar hebben ze iets te melden dat wij van belang vinden. Andere klassieken zijn in vergetelheid geraakt: zij dienden als basis voor toppen die zichtbaar bleven.

Men vergeet vaak dat in een steeds groter wordend cultureel landschap met al zoveel toppen en met telkens nieuwe erbij, het moeilijker wordt erboven uit te steken.

Toppen in het heden worden snel topjes op de achtergrond of raken uit het zicht doordat zich nieuwe toppen aandienen. Als Mulisch een topauteur is, blijft hij zichtbaar in 2098. Anders niet. Het leven is hard, ook voor schrijvers.

Om onze cultuur over te dragen op de nakomelingen in het experiment, zou er veel vertaald moeten worden. “Er gaat te veel verloren door vertaling', is dan het argument. Maar hoe geldig is dit argument?

Een cultuur die met meer dan een taal omgaat en die een geschiedenis heeft, kan niet zonder permanente vertaling. Taal is een dermate gecompliceerd instrument dat de perfecte beheersing van een taal nauwelijks mogelijk is, laat staan van twee of drie. Wie als Nederlander regelmatig en zonder al te veel fouten in het Engels schrijft, hoeft maar naar de BBC te luisteren om te weten hoe groot de niet in te halen achterstand op Engelse moedertaalsprekers is.

Enkele promovendi op het onderzoeksinstituut waar ik werk, zijn buitenlanders. Na enige jaren in Nederland krijgen ze een gevoel van achterstand als ze hun moedertaal gebruiken in hun vroegere omgeving, zo is vrij algemeen de ervaring. Ze hebben al snel hulp nodig bij de interpretatie van wat gezegd wordt. Voor oudere fasen van het Nederlands geldt de noodzaak tot vertalende hulp dus zeker.

Wie denkt dat het 17de-eeuwse Nederlands het Nederlands van nu is minus spellingswijzigingen, vergist zich. Taal als informatiedrager als vormgever van betekenissen, als coderingsmiddel voor sociale groepen verandert en veroudert snel en voor de interpretatie van het gesprokene of geschrevene is daarom al heel snel aanvullende informatie nodig.

Gelukkig heeft elke levenskrachtige cultuur haar filologen, historici en andere bewakers van het verleden om zinnig contact ermee mogelijk te maken.

Zij verduidelijken de context waarin de taal van toen werd gebruikt.

Waarom is het ondenkbaar dat het Nederlands over een eeuw niet meer bestaat? Omdat het Nederlands alleen kan worden uitgebannen door de gebruikers een andere taal op te leggen. En zelfs dan niet. Mensen laten zich niet dwingen in hun primaire uitingsvormen. De Basken de Catalanen, de Bretonnen, de Friezen, de Limburgers, de Vlamingen: ze kunnen er van meepraten. Ook de onmogelijkheid om, in de afgelopen 250 jaar, het Nederlands als primaire taal te laten doordringen tot alle gewesten in Nederland wijst in deze richting.

Veel Nederlanders en Vlamingen gebruiken het Nederlands niet als voertaal omdat ze in hun onmiddellijke omgeving hun eigen omgangstaal hebben. Het zijn niet alleen allochtonen die twee talen gebruiken, ook de velen die dialect spreken al of niet aangevuld met woorden uit het Standaard-Nederlands, doen dat. Voor hen is het Nederlands een tweede taal, die weliswaar nodig is om maatschappelijk verder te komen, maar beslist niet de taal waarin men zich het liefst en het meest eigen uitdrukt. Van de twintig miljoen mensen die geacht worden Nederlands te spreken, spreekt in feite een minderheid wat vroeger het ABN heette en nu standaardtaal heet.

Kortom, als het over `het Nederlands' gaat, heeft niet iedereen in Nederland het over hetzelfde: voor sommigen is het hun primaire taal, voor anderen een secundaire taal die dient voor een beperkt aantal doeleinden; een formele taal ook, die je thuis bij voorkeur niet spreekt.

Typerend is het Gronings sprekende echtpaar dat bevriend raakte met een Fries sprekend echtpaar. Na enige tijd lieten ze het Nederlands als de door alle vier gesproken tussentaal vallen, om in een mengsel van Gronings en Fries verder te gaan.

Ze lijken daarin op de Marokkaanse, Turkse en Antilliaanse jongeren op school die als overbrugging naar andere talen een eigen tussentaal smeden. In dit perspectief is de functie van het Nederlands die van een al of niet te gebruiken lingua franca een beperkte hulptaal voor diegenen die meertalig zijn.

Voor randstedelingen is dit moeilijk na te voelen. Hun dialect valt samen met de standaardtaal of komt daar dicht bij in de buurt. Zij hebben een voorsprong, want ze kunnen met een taal toe. Zoals Engelsen en Amerikanen mijlen voorliggen op degenen die het Engels als tussentaal gebruiken.

Wie spreekt over bedreiging van het Nederlands, wijst meestal een kant op: naar buiten. Het Engels zou ons als machtiger taal bedreigen. Het probleem binnenshuis blijft daarmee onbesproken: is het Nederlands wel zo geschikt als lingua franca? Voor de tweetaligen kan het handiger zijn naast de primaire taal het Engels te hebben: Twentse en Friese popgroepen banen hier de weg. Die ontwikkeling wordt tegengehouden zolang de overheid voorschrijft dat kinderen in het basisonderwijs Nederlands krijgen.

Maar je kunt taal niet echt tegenhouden. In Californie wordt intussen meer Spaans dan Engels gesproken. Alleen als het voor grote groepen mensen nuttig en zinvol is om de overlap tussen individuele taalsystemen groot te houden, blijft er sprake van een taalgemeenschap. Door goed onderwijs wordt deze overlap bevorderd. Goed cultuurbeleid in het onderwijs draagt ertoe bij dat sprekers de standaard internaliseren als primaire taal.

We hebben nu de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) en het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Zijn dat geen cultuurmonumenten die ons tot 2098 verder helpen? Ik vrees dat de Zalmen en de Kokken zeggen: “Dat is mooi af.

Daar hoeft dus geen geld meer naartoe.'

Wezenlijk onderzoek naar en respectvolle aandacht voor hoe taal in elkaar zit en functioneert in het gebruik zijn echter nooit eindproducten. Permanente aandacht is en blijft een noodzakelijke voorwaarde voor goed onderwijs en voor goede cultuurpolitiek.

Als het Nederlands zich als primaire taal in de Europese Unie wil handhaven moet worden beseft dat taal niet in de marge kan worden behandeld. Alleen dan spreekt men het nog wel, over honderd jaar.