EMMENTAAL

De kat van Ome Willem, u weet wel, uit `Ja zuster, nee zuster', was voor zeven maanden naar Parijs geweest: “Hij heeft zoiets elegants, hij geeft kopjes op zijn Frans.' Maar hoe gaat dat, kopjes geven op zijn Frans? Zoals Rudy Kousbroek jaren geleden al opmerkte: Franse katten geven wel kopjes, maar het Frans heeft daar geen woord voor. Het Engels ook niet trouwens.

Talen overlappen elkaar nooit helemaal. En we hebben het nu niet over cultuurbepaalde kwesties, zoals de beruchte Eskimo-woorden voor sneeuw maar over woorden voor verschijnselen die iedere Nederlander kent. Hoe heten die ribbeltjes in je onderbenen van nieuwe sokken, of in je vingers en tenen na een lang bad? Of, urgenter: hoe moeten we het eerste decennium van de volgende eeuw noemen? De jaren nul? De Nederlandse taal zit vol met gaten. Veel daarvan kunnen gevuld worden met vreemde woorden. Hier zijn - met dank aan de lezers van `Onze Taal' - enkele suggesties.

Boadskip-persiis (Fries). Oud ijs vol bobbels en scheuren, hoogstens geschikt voor het doen van boodschappen per schaats. Buteriis is geelbruin ijs, ontstaan waar water van de kant op het bestaande ijs is gelopen en daarop bevroren.

Bob (Vlaams Nederlands). Degene van een gezelschap die niet drinkt en de rest veilig naar huis rijdt. `Bob' is de spil van een recente campagne tegen dronken rijden, onder het motto Noem mij maar Bob. In Vlaams gezelschap kun je vragen: “Wie is er Bob vanavond?'

Catut (Indonesisch). Plaatsbewijzen, bijvoorbeeld voor een concert opkopen en met grote winst verkopen.

Faux pas de deux (Engels). Wat twee voetgangers doen die elkaar proberen te ontwijken, maar allebei herhaaldelijk in dezelfde richting opzij stappen.

Indian giver (Amerikaans Engels). Iemand die iets cadeau doet en het dan terugvraagt. Eveneens Amerikaans is regifter: iemand die een teleurstellend cadeau zonder de herkomst te vermelden aan een ander schenkt.

Krokodili (Esperanto). In een groter gezelschap je moedertaal gebruiken voor een onverstaanbaar onderonsje. Afkomstig uit de wereld van esperantisten, maar ook toepasbaar op Nederlandse zakenlui die tijdens een internationale vergadering even wat strategische informatie uitwisselen.

Kummerspeck (Duits). De zichtbare gewichtstoename die het gevolg is van een uit liefdes-verdriet of andere misere geboren eetlust.

Lint (Engels). De verviltende dot pluisjes, stofjes, draadjes en kruimeltjes die tevoorschijn komt als je een jaszak binnenstebuiten keert.

Mirapasi (Sranantongo). Letterlijk `mierenpaadje': onbedoelde kale lijn in hoofdhaar, als gevolg van litteken of slecht kapwerk.

Rossignol (Frans). Letterlijk `nachtegaal': onverklaarbare rammel of tik in een auto.

Rugelje (Fries). Het verspreid (laten) vallen van meestal droge materie, bijvoorbeeld kruimels, modder, vlokken. Bijvoorbeeld: bloemblaadjes op het tapijt strooien als je met een vaas met een uitgebloeid boeket naar de vuilnisbak loopt.

Soskende (Deens) siblings (Engels), Geschwister (Duits). De broers en zussen uit een gezin. Nederlandse hulpverleners hebben het bij gebrek aan zo'n compact verzamelwoord wel eens over sibs of brusjes.

Treppenwitz (Duits) trepverter (Jiddisch), esprit d'escalier (Frans). Het gevatte antwoord dat je te laat te binnenschiet.

Kent u vreemde woorden die gaten in het Nederlands kunnen vullen? Of begrippen waar helemaal geen woord voor is? Peter Burger werkt aan een inventaris. Schrijf: NRC Handelsblad redactie Profiel, postbus 8987, 3009 TH Rotterdam, onder vermelding van `Gaten in de taal'.