Draken op sterk water; Monsters in het Museon

Mythen en Monsters, tot 14 maart '99, Museon Stadshouderslaan 41 Den Haag. Open di t/m vr 10-17u za zo 12-17u. Entree volw. f10, kind. 4-11 f6, CJP en 65+, f8 en MJK gratis. Inl 070-3381338

Misschien tast een langdurig celibatair verblijf op zee het esthetisch onderscheidingsvermogen aan. Een andere verklaring is moeilijk te bedenken voor het ontstaan van de zeemeermin. Wie een dujong of zeekoe bekijkt kan daar - hoe aandoenlijk dit dier ons ook aankijkt - met de beste wil ter wereld geen zinnenprikkelende, wulpse dame uit destilleren. Toch hebben dujongs, robben en andere zeezoogdieren varensgasten ooit geInspireerd tot het beeld van de zeemeermin.

Al duizenden jaren doen over de hele wereld geruchten de ronde over onaardse creaturen, waaronder de verleidelijke dame in de golven. Ofschoon niemand ze gezien kan hebben, zijn demonen, draken en duivels ons tot in detail bekend. Het Museon toont tot 14 maart op de tentoonstelling Mythen en Monsters een selectie van fabeldieren.

Hoe ongelofelijk sexy zeemeerminnen kunnen zijn, en ik zeg dat als objectieve waarnemer, zien we op het schilderij van de Britse schilder Herbert James Draper (1863-1920) waarop Odysseus de sirenen/zeemeerminnen weerstaat. Helaas is niet een van deze zeemeerminnen op ware grootte op de tentoonstelling te zien. Eenhoorn, draak, chimera, yeti, cycloop en het hedendaagse buitenaardse wezen, de alien, maken een bezoek aan het Museon echter zeker waard.

Over het mooiste dier van deze, uit het Londense Natural History Museum afkomstige, tentoonstelling zal ik het nog niet hebben maar het verschrikkelijkst om aan te zien is de cycloop. En om aan te horen, want de reuzeneenoog kluift smakkend aan een enorm stuk bloederig vlees. Hebben er ooit cyclopen bestaan zoals Homerus beweert? Het heeft er alle schijn van wanneer je de schedel bekijkt die in de vitrine ligt. Het is de schedel van een van de dwergolifanten die in prehistorische tijden rond de Middellandse zee hebben gedwaald. Bekleedt het kale bot met spier, plak er hoofdhuid en haar op en je hebt Polyphemus, die Odysseus en zijn makkers probeerde te doden.

De combinatie `levensgroot' fabeldier en mogelijke ontstaansgeschiedenis is evocatief en werkt soms zeer overtuigend. Zo leefde er ooit in de landen waar de eenhoorn-mythe is ontstaan een reuzenneushoorn wiens schedel sterke gelijkenis vertoont met die van een paard.

Of de mythe van de eenhoorn daardoor is ontstaan, is net zo ongewis als de `verklaring' dwergolifant-cycloop. Wat wel zeker is, is dat de hoorn van de narwal in de Middeleeuwen werd verkocht als zijnde het stootwapen van dit mythische dier en dat hij het aardigste wezen is op deze tentoonstelling.

Om op het mooiste dier terug te komen: er zijn enkele `vliegende' hagedisjes op sterk water te zien. Hoekig wreed snavelbekje, zweefzeilflapjes die op vleugels lijken, venijnige grijpklauwtjes en een lange staart. Waarom zou dit beestje niet duizend maal vergroot bestaan kunnen hebben? Het brullende ondier dat achter mij zijn muil openspert, zijn tenen beweegt en licht met zijn staart kwispelt krijgt door de reageerbuis-draakjes onmiskenbaar bestaansrecht.

Bij de yeti, de verschrikkelijke sneeuwman van Tibet, hoef je zelfs geen reageerbuis met een mensje te zetten om te denken: als er kleine aapmensen zijn, waarom dan geen grote? En deze is groot. De verslaggever betrapt zich erop dat hij de roodharige reus steeds nauwlettend in het oog houdt. Want al overstemt het gepiep en geknars van het besturingsmechaniek het gebrom van de yeti, het ondier komt levensecht over.

Het vermelden waard is ook een opstelling met de `tenen van de duivel': fossiele oesters uit het Jura-tijdperk, maar met enige verbeeldingskracht zouden het uitgegroeide teennagels kunnen zijn, en waarom dan niet van de duivel? Wanneer je ziet wat men van vreemde botten, stenen en schedels en een flinke dosis verbeeldingskracht heeft gemaakt, zou je het haast jammer vinden dat de duivel niet bestaat. Om over zeemeerminnen maar te zwijgen.