De lessen van Karl-Otto

Karl-Otto Pohl, president van de Bundesbank van 1980 tot 1991, SPD-lid en autoriteit op het gebied van monetaire zaken, heeft geen uitnodiging gehad voor een gesprek met de nieuwe Duitse regering. Hij had nuttige adviezen kunnen geven aan bondskanselier Schroder en minister van Financien Lafontaine over de verhouding tussen de regering en de centrale bank, over het wisselkoers- en rentebeleid en over de rol van monetair beleid ter bevordering van de werkgelegenheid.

“Wat de inhoud van hun beleid betreft heb ik begrip voor ze. Maar de manier waarop ze het hebben aangepakt, was buitengewoon stom', zegt hij.

Hij vertrok om `persoonlijke redenen' in 1991 als president van de Bundesbank. Hoogoplopende meningsverschillen met bondskanselier Kohl over de monetaire aanpak van de Duitse eenwording en de Europese Monetaire Unie (EMU) speelden ook een rol.

Tegenwoordig werkt Pohl (69) als privaat bankier bij de bank Sal. Oppenheimer in Frankfurt. Maar hij heeft nog altijd een scherpe visie op de Europese monetaire actualiteit, zoals blijkt uit een gesprek met hem, twee weken geleden.

“De Bundesbank verdwijnt over enkele weken als machtsfactor die besluiten neemt. Niet iedereen in Duitsland heeft dat door, maar de onafhankelijkheid van de Bundesbank is nu al irrelevant. Belangrijker is de vraag wat de `euro-11' de raad van ministers van Financien van de elf eurolanden gaat doen als tegenwicht tegen de Europese Centrale Bank (ECB).

Duitsland heeft zijn positie totaal veranderd en heeft nu dezelfde standpunten als Frankrijk, namelijk dat de ECB het economische beleid van de regeringen moet ondersteunen. Ik denk dat een tamelijk sterke euro-11 zal ontstaan die een dringend beroep zal doen op de ECB om de inspanningen ter bestrijding van de werkloosheid te ondersteunen.

Als elf regeringen aan de centrale bank vragen om te helpen bij de bevordering van de werkgelegenheid, dan is het onverstandig als de ECB dat botweg zou weigeren. Het zou heel stom zijn om een gevecht aan te gaan met alle elf regeringen van euroland. Op de lange termijn zal de ECB dat gevecht niet winnen.

De politieke druk op de ECB zal verder toenemen als de dollar in koers zakt en de euro sterker wordt.

De vraag of de euro een zwakke munt wordt, is op het ogenblik niet aan de orde. Het probleem is dat de euro te hard dreigt te worden.

Ik kan me voorstellen dat de ECB in overleg treedt met de Amerikanen om te voorkomen dat de euro-dollarkoers te veel fluctueert. In het verleden, met de D-mark, was dat lastiger. Het volume van het D-mark-gebied was te klein en daarom waren wij altijd terughoudend om te intervenieren op de valutamarkten. Dat kon ons binnenlandse beleid van prijsstabiliteit doorkruisen. Maar het eurogebied is veel groter. Een interventie met 10 of 20 miljard dollar kan gemakkelijk gecompenseerd worden met het beleidsinstrumentarium van de ECB.

De tijd is nog niet rijp voor het idee van `doelzones' (zoals voorgesteld door Oskar Lafontaine). Maar het is niet zo'n onrealistisch en dom idee als veel critici en centrale bankiers hebben beweerd.

Er kan een vorm van samenwerking tot stand komen voor de dollar en de euro zoals we die ook hadden met het Louvre-akkoord (een informele afspraak in 1987 om de koersen van de dollar, yen en D-mark binnen een bepaalde bandbreedte te sturen). De ECB en de Fed hebben volgens mij ook de plicht om ongerechtvaardigde koersschommelingen in de markt te voorkomen.

Ik ben mild in mijn oordeel over de nieuwe Duitse regering. Maar zoals ze het hebben aangepakt, was onverstandig. Een rechtstreekse aanval op de centrale bank is de beste manier om te bereiken dat de Bundesbank helemaal niets doet. Want je kunt als centrale bankier niet aanvaarden dat een nieuwe regering je eventjes publiekelijk vertelt wat je moet doen.

Ze hadden met Tietmeijer en Duisenberg moeten praten en moeten zeggen: “Kijk, wij proberen meer banen te scheppen en wat kunnen jullie doen om ons te ondersteunen?'

Duisenberg en Tietmeijer, beiden met een goed gevoel voor de politieke verhoudingen, hadden dan kunnen antwoorden: “We kunnen op dit moment de rente niet verlagen om technische redenen, maar zodra we de volledige convergentie van de renteniveaus van de EMU-landen hebben bereikt, kunnen we overwegen of het mogelijk is een bijdrage te leveren in de vorm van lagere rente.' Dat zou een elegante oplossing zijn geweest.

Monetair beleid kan nooit in het openbaar bediscussieerd worden, dat moet achter gesloten deuren gebeuren omdat je anders de markten nerveus maakt. Het monetaire beleid heeft Fingerspitzengefuhl nodig en deze regering heeft niet getoond daarover te beschikken.

Het grootste probleem in Europa is niet inflatie, maar werkloosheid. Het is begrijpelijk dat overheden zich daarop richten. Iedereen weet dat structurele hervormingen noodzakelijk zijn, maar het begrotings- en monetaire beleid kunnen ook helpen.

Het monetaire beleid kan bijdragen aan groei, enerzijds door een klimaat van prijsstabiliteit te garanderen en anderzijds door behulpzaam te zijn met de rente, zolang inflatie geen bedreiging vormt. Er moet natuurlijk wel voldoende vraag zijn. Keynes had niet volkomen gelijk, maar ook niet volkomen ongelijk. In ieder geval is het keynesianisme niet dood.'