Verschil moet er zijn; Hoe de eenheidsmunt economische verscheidenheid oproept tussen de eurolanden

Het idee is dat straks in het EMU-gebied dankzij de gedeelde munt de verschillen tussen de economieen uiteindelijk zullen verdwijnen. Maar dat gaat niet zomaar. Het probleem voor het monetaire beleid in Euroland is dat economieen eerst flink moeten verschillen - in groei en inflatie - om uiteindelijk gelijk uit te komen. Hoe werkt dat precies?

“Leverbaar in alle gewenste kleuren, zolang het maar zwart is', zei Henry Ford over de T-Ford, die wordt beschouwd als de eerste automobiel die met moderne fabricagetechnieken in massa werd geproduceerd. Komt de moderne monetaire T-Ford straks uit Frankfurt?

De burgers, bankiers bedrijven en overheden van de elf muntunielanden krijgen vanaf 1999 een munt en een rentebeleid. Maar de economische omstandigheden in de muntunielanden zelf kunnen sterk uiteenlopen. Ierland, dat met zeven procent per jaar groeit en de hoogste inflatie kent van Euroland, heeft liever een hogere rente. Duitsland, waar de groei dreigt te stokken, de werkloosheid maar licht afneemt en de inflatie met 0,7 procent vrijwel non-existent is, zal liever een lagere rente willen.

Er is straks echter maar een rentebeleid, dat wordt vastgesteld door het Europese Systeem van Centrale Banken. Dat zijn de nationale centrale banken van de elf eurolanden, met aan het hoofd de Europese Centrale Bank in Frankfurt.

Een van de premissen van de muntunie is dat onderlinge verschillen tussen de deelnemende landen langzaam dichtlopen. Na verloop van tijd moet Euroland een zone zijn geworden waar een min of meer synchrone conjunctuur heerst, en welvaarts- en prijsverschillen langzaam minder worden. Al zullen ze nooit helemaal dichtlopen - zelfs in het kleine Nederland zijn er prijs- en welvaartsverschillen tussen bijvoorbeeld de Randstad en regio's als Noordoost-Nederland.

DIVERGENTIE

De mechanismen voor die convergentie spelen in de markteconomie. Grensoverschrijdende investeringen nemen toe, waarbij optredende verschillen in concurrentiekracht tussen eurolanden worden gecompenseerd. Het wegvallen van valutarisico's en grotere doorzichtigheid van prijzen geeft een impuls aan de toch al forse interne handel in de eurozone.

En hier en daar zullen, eerst voorzichtig, stromen op gang komen van werknemers die de grenzen oversteken op zoek naar werk, beter werk en beter betaald werk.

Een eenvormiger economie binnen de muntunie maakt het management van die economie makkelijker, en daarmee de taak voor de Europese Centrale Bank. Maar het zal even duren voordat de convergentie plaatsvindt, en wie weet is de komst van de ene munt met het ene rentebeleid juist wel aanleiding tot het optreden van juist grotere verschillen: divergentie.

Het optreden van divergentie is in alle discussies die tijdens het politieke proces naar de ene Europese munt zijn gevoerd, in de regel geassocieerd met het optreden van zogenoemde asymmetrische externe schokken. Als bijvoorbeeld Brazilie volgend jaar toch omvalt, zullen niet alle eurolanden daar gelijk op reageren. Er zijn landen, zoals Spanje, die relatief veel met Latijns Amerika handelen, er veel in hebben geinvesteerd of via hun banken veel leningen hebben uitstaan. Andere landen zoals Finland hebben die banden vrijwel niet. In de reactie op een Brazilie-crisis ontstaat divergentie tussen de landen van Euroland. Voor Brazilie kan ook gelezen worden een oliecrisis, nieuwe tegenvallers in Azie of een snel stijgende of dalende dollar.

Vraag is nu in hoeverre er ook zonder externe oorzaak divergentie kan optreden. Zit er een ingebakken neiging tot asymmetrie in Euroland zelf? Het antwoord is ambivalent: om uiteindelijk te convergeren zijn op kortere termijn oplopende verschillen in het tempo van economische groei en inflatie juist nodig. Om een economie te worden moeten er in Euroland eerst juist verschillen optreden.

Paul van der Ven en Inge Mulders, economen bij de Stafgroep Economisch Onderzoek van de Rabo, ontwierpen voor de bank een indicator waaruit kan worden afgelezen hoe groot de onderlinge verschillen tussen de elf eurolanden zijn.

De Euroland-spanningsindicator, zoals Rabo hem noemt, is een economisch-monetaire thermometer voor het EMU-gebied. Uit een reeks van gegevens voor de elf eurolanden, waaronder industriele productie de actuele inflatie, geldgroei en arbeidsmarkt, wordt per land aangegeven of er sprake is van lage economische activiteit zonder inflatiegevaar of juist hoge activiteit met veel inflatiegevaar.

Zo ontstaat een indicator die aangeeft hoe de economie van het gehele eurogebied er voor staat. Op dit moment is dat overigens niet erg goed: na een piek die optrad juist voor het uitbreken van de Azie-crisis in juli 1997, zakte de indicator weg, maar tegen de zomer van dit jaar trok de economische activiteit weer stevig aan. Sindsdien zit de schrik er weer in. De indicator vertoont een steile lijn naar beneden.

DE SPREIDINGSINDICATOR

Minstens even interessant is dat de Rabo met een `spreidingsindicator' ook bijhoudt hoe groot de onderlinge verschillen tussen de eurolanden zijn. Hoe groter de omvang van die onderlinge verschillen, gemeten als de standaarddeviatie, is, hoe moeilijker het is om een monetair beleid te voeren. Er zullen EMU-lidstaten zijn die de gestelde rente veel te hoog vinden, en anderen die de rente juist veel te laag vinden. Hoe verder de standaarddeviatie oploopt, hoe groter de kans op onenigheid binnen het bestuur van de Europese Centrale Bank.

Juist de laatste maanden loopt de spreidingsindicator flink op, hoewel de stand nog weinig reden geeft tot bezorgdheid. De score, die nu 0,63 bedraagt, kan varieren van 0 (geen enkele spreiding) tot 2 (totale spreiding).

Het optreden van spreiding is onvermijdelijk, vindt Van der Ven. Het verschil in uitgangspositie van de verschillende lidstaten die met de EMU beginnen is groot.

Om in de richting van een meer gemeenschappelijk welvaartspeil te gaan, zullen economieen met een lager dan gemiddelde welvaart sneller dan gemiddeld moeten groeien. Om te convergeren, moeten de groeivoeten in Euroland dus wel eerst divergeren. Pas op termijn kan Euroland een intern evenwicht vinden, waarmee de spreiding van de mate van economische activiteit in de elf verschillende landen structureel afneemt. Maar dan moet de politiek, zo voegt Van der Ven toe, wel de markt haar gang laten gaan.

Het adagium `eenheid na verscheidendheid' gaat ook op voor de inflatie in Euroland. Internationale prijsverschillen worden voor burgers en bedrijven veel beter zichtbaar als de prijzen van goederen en diensten in euro's worden uitgedrukt. Het valt aan te nemen dat na verloop van tijd die prijsverschillen dichtlopen. En dat betekent dat de prijzen in goedkope landen duurzaam zullen stijgen naar een gemeenschappelijk EMU-niveau, of dat de prijzen in de duurste landen duurzaam naar dat niveau zullen dalen.

Analist David Mackie van de zakenbank JP Morgan heeft daar een analysekader voor ontworpen. Prijsverschillen lopen volgens hem nooit helemaal dicht; ze zijn afhankelijk van nationale en regionale karakteristieken, zoals loonkosten, bereikbaarheid en de structuur van aanbod en consumptie. In de Belgisch-Luxemburgse muntunie (BLEU) bijvoorbeeld, zijn de prijzen van voedingsmiddelen, dranken, auto's, en uit eten gaan in Belgie en Luxemburg vrijwel hetzelfde. De prijzen van energie, telefonie en tabak verschillen echter sterk, tot een factor twee toe.

Op basis van kennelijk hardnekkige prijsverschillen in de BLEU kan de marge worden afgeleid van prijsverschillen die blijvend in de EMU kunnen optreden.

Convergentie van prijzen vindt plaats tot die marge is bereikt: olijfolie zal in Spanje altijd wel goedkoper blijven dan in Finland. Het omgekeerde zal gelden voor openhaardhout.

Mackie neemt op basis van onderzoek naar de prijsvorming in de Verenigde Staten en Groot-Brittannie - twee lang bestaande muntunies - aan dat de prijzen van verhandelbare goederen en diensten in de Europese muntunie zullen convergeren naar het laagste punt. Spanje is het goedkoopst waar het de eerste levensbehoeften betreft, Italie is het goedkoopst in auto's woninginrichting en huishoudelijke apparaten.

DIENSTEN

Voor de prijzen van niet-verhandelbare goederen en diensten ligt dat anders. Die zijn sterk afhankelijk van loonkosten, schaarste of plaatselijk overheidsbeleid, en tenderen juist naar het hoogste punt. Duitsland is op vrijwel alle fronten het duurst. Voor huren, energie, onderwijs recreatie en gezondheidszorg gelden in Duitsland de hoogste prijzen van de EMU. De horecaprijzen zijn in Frankrijk het hoogst.

Als de prijzen binnen de EMU voor verhandelbare goederen tenderen naar het laagste niveau en die van niet-verhandelbare goederen en diensten naar het hoogste niveau, dan kan daar per land een invloed op de inflatie uit worden berekend. In Nederland is de invloed op de inflatie van de EMU-wijde prijsconvergentie van verhandelbare goederen -3,1 procent. De prijzen van niet-verhandelbare goederen en diensten moeten echter wat omhoog, hetgeen 0,7 procent inflatie tot gevolg heeft. Per saldo zou de inflatie in 1999 met 2,4 procent worden gedrukt als die prijsconvergentie in een jaar zou plaatsvinden. Dat gebeurt natuurlijk niet. “Het gaat om het effect op het prijsniveau', zegt Mackie vanuit Londen.

“Niet over hoe lang dat proces er over doet.' Wel is volgens hem waarschijnlijk dat luxe goederen eerder in prijs convergeren. De prikkel van de consumenten om de laagste prijs te zoeken is in die categorie, gezien de uitgave die met de aanschaf gemoeid is, het grootst.

Als de convergentie er bijvoorbeeld tien jaar over zou doen, zou het neerwaartse effect op de Nederlandse inflatie van 2,4 procentpunt neerkomen op 0,23 procentpunt extra inflatie per jaar. Voor Portugal is het effect veel dramatischer: het prijsniveau moet met 16 procent omhoog. Over tien jaar gerekend is dat 1,5 procentpunt aan extra inflatie per jaar. Mackie's conclusie: om prijsconvergentie in de EMU te laten plaatsvinden, zijn inflatieverschillen noodzakelijk.

Zo bevinden de elf landen zich aan de vooravond van de EMU aan de start van een convergentieproces dat de onderlinge verschillen in groei en inflatie aanvankelijk juist sterk zal doen toenemen. Aan de ECB, de vakbonden, bedrijven en regeringen, om de Europese T-Ford straks op het midden van de weg te houden.