`Rechtsherstel van joden faalde niet'

ROTTERDAM, 25 NOV. Het rechtsherstel van de Nederlandse joden na de Tweede Wereldoorlog heeft niet gefaald. Dat stelt Gerard Aalders historicus van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, in een lezing die hij vanmiddag heeft gehouden tijdens een symposium in Jeruzalem over het Nederlandse jodendom.

Volgens Aalders was de Nederlandse regering in ballingschap al in een vroeg stadium op de hoogte van Duitse roofpraktijken. Op 7 juni 1940 werd het Besluit Rechtsverkeer in Oorlogstijd van kracht, dat overeenkomsten met de vijand verbood en na de oorlog een juridisch handvat bood voor restitutie. Het toont volgens Aalders aan dat de Nederlandse autoriteiten al tijdens de bezetting vanuit Londen het rechtsherstel voorbereidden.

De restitutieoperatie werd in gang gezet op een moment dat er in Nederland financiele, economische en bestuurlijke chaos heerste. Ontrafeling van de administratie van bijvoorbeeld de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co., het ontbreken van overlijdensakten van Holocaust-slachtoffers, het opsporen van nabestaanden en de verervingsproblematiek maakten van de restitutie een tijdrovend en buitengewoon gecompliceerd proces, aldus Aalders.

Volgens Aalders wordt het rechtsherstel ten onrechte synoniem gesteld met schadevergoeding. “Nederlandse joden hebben geen totale schadevergoeding gehad', aldus Aalders, “maar met rechtsherstel heeft dat niets te maken. (...) De Nederlandse overheid zag het niet als haar taak om hetgeen de Duitsers hadden geroofd te vergoeden. Het is ook de vraag of ze dat had gekund.'

Voor de beroofde joden, die als bevolkingsgroep erger waren getroffen dan wie ook, heeft men bij wet geen extra voorzieningen getroffen. Een discussie over de vraag of dat wenselijk zou zijn geweest is volgens Aalders publiekelijk nooit gevoerd. Mogelijk hebben mede daardoor emotioneel beleefde factoren, zoals koud legalisme en soms starre bureaucratie, het rechtsherstel achteraf in een kwaad daglicht gesteld.