Rechtsherstel joden heeft niet gefaald

Na afloop van de Duitse bezetting bleek het rechtsherstel van de vervolgde Nederlandse joden wel degelijk grondig te zijn voorbereid, meent Gerard Aalders. De restitutie van het geroofd bezit kwam weliswaar traag op gang maar heeft in tegenstelling tot de thans heersende opvattingen, niet gefaald.

Toen ik een jaar of acht geleden een onderzoek begon naar de restitutie van joodse bezittingen die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi's waren gestolen, was ik ervan overtuigd dat het hier een zwarte bladzijde in de geschiedenis van Nederland betrof. Een pure schande. Inmiddels zou ik niet meer zo ver durven gaan. Vanwaar die verandering?

Om de feitelijke uitvoering van de restitutie te begrijpen is het noodzakelijk eerst summier de roof te schetsen. Het Nederlandse jodendom werd op uitermate systematische wijze beroofd. Dat gebeurde op grond van verordeningen met kracht van wet, die tot doel hadden alle joden uit het economische leven te verwijderen. De Verordening van 8 augustus 1941 `betreffende de behandeling van het joodsche geldelijke vermogen' verplichtte alle joden bij de bank Lippmann, Rosenthal & Co., (Liro) in Amsterdam een rekening te openen waarnaar ze hun contante geld, bank- en giro-saldi moesten overschrijven en effecten en cheques moesten inleveren. Bij een andere instelling, de Vermogensverwaltung und Rentenanstalt (VVRA), kwamen vooral de opbrengsten terecht die voortvloeiden uit de `arisering' van het bedrijfsleven.

Meer verordeningen volgden. Volgens die van mei 1942 moest afstand worden gedaan van `collecties van allerlei soort', goud, zilver, platina, kunst, edelstenen, octrooirechten auteursrechten en concessies. Andere bevalen de overdracht van grondpercelen, landbouwgronden, geldvorderingen, verzekeringen en pensioenen. Bezit van gevluchte joden werd al in juni 1940 als vijandelijk vermogen geconfisqueerd. En vanaf de zomer van 1942, toen de deportaties begonnen, werden de huizen van weggevoerde joden leeggehaald en verkocht. Volgens mijn berekeningen beroofden de nazi's de Nederlandse joden voor tenminste een miljard gulden.

Vertaald naar de waarde van vandaag is dat ongeveer 14 miljard gulden.

De Nederlandse regering in ballingschap was al in een vroeg stadium op de hoogte van de Duitse roofpraktijken en waarschuwde ertegen via Radio Oranje: koop geen goederen of effecten waarvan u kunt vermoeden dat ze van medeburgers zijn gestolen. Op 7 juni 1940 werd vanuit Londen het Besluit Rechtsverkeer in Oorlogstijd (A-6) van kracht, bedoeld om de belangen van het Koninkrijk te beschermen. A-6 verbood elke overeenkomst met de vijand, zonder voorafgaande toestemming van de Commissie Rechtsverkeer (Corvo). Dit wetsbesluit bood na de oorlog een juridisch handvat voor restitutie.

De geallieerden zijn gedurende de oorlog opmerkelijk goed op de hoogte geweest van de Duitse roofpraktijken en waarschuwden ertegen op 5 januari 1943 met hun `Inter-Allied Declaration against Acts of Dispossession committed in Territories under Enemy Occupation and Control', die was gericht tegen alle vormen van onteigening. In deze Declaration verplichtten staten die haar hadden ondertekend zich tot maatregelen als geroofde goederen op hun grondgebied terecht waren gekomen.

In Nederland werd (op basis van Besluit Herstel Rechtsverkeer, E-100) het `herstel in eigendomsrechten' - dat eigenlijk een betere term is dan `restitutie' - toevertrouwd aan de Raad voor het Rechtsherstel, die de uitvoering van de taken had opgedragen aan verschillende afdelingen. In wetsbesluit E-93 is een lijst met 423 Duitse Verordeningen te vinden die geacht werden nimmer van kracht te zijn geweest. Alle anti-joodse verordeningen worden daartoe gerekend.

De restitutieoperatie is een tijdrovend, buitengewoon gecompliceerd en moeizaam proces geweest dat in gang werd gezet op een moment dat in Nederland een totale chaos heerste op financieel, economisch en bestuurlijk terrein.

De Raad voor het Rechtsherstel zou pas op 1 juli 1967 bij wet worden opgeheven, met uitzondering van de Afdeling Effectenregistratie, die tot januari 1971 bleef functioneren.

Na de oorlog verkeerde niet alleen Nederland, maar ook de administratie van zowel Liro als VVRA in chaos. Een voorwaarde voor teruggave was uiteraard exact te weten wat aan wie toebehoorde. Daar begonnen de eerste problemen want de administraties van Liro en VVRA waren hopeloos door elkaar gehaald. Grote sommen geld en pakketten effecten waren van Liro naar VVRA overgeboekt, maar niemand wist van wie dat geld of die effecten waren. Evenmin was bekend welke bedragen ermee gemoeid waren. Archieven en administraties waren bovendien (gedeeltelijk) vernietigd of verdwenen en tot overmaat van ramp was Liro op 1 januari 1943 begonnen met praktisch alles op een verzamelrekening, het Sammelkonto, te boeken. De nazi's wisten immers dat gedeporteerden niet zouden terugkeren en er was daarom geen reden individuele rekeningen in stand houden.

Om tot restitutie te kunnen overgaan was het noodzakelijk eerst zowel de beide administraties als het Sammelkonto te ontrafelen. Pas dan was bekend wat aan wie toebehoorde en pas dan kon tot `herstel in eigendomsrechten' worden overgegaan. Met de teruggave van het weinige dat nog aanwezig was en waarvan de eigenaar bekend was, werd vrijwel direct na de bevrijding begonnen.

In mei 1945 waren slechts de namen en adressen van 2.000 rekeninghouders bij Liro bekend; na de ontrafeling van het Sammelkonto door tientallen werknemers, een werk dat vier jaren in beslag zou nemen bleek dat ongeveer 70.000 joden (gezins- en familieleden van rekeninghouders meegeteld) aanspraak konden maken op een deel van de Liro-boedel.

Van hen hadden zich omstreeks 1950 slechts 23.000 rechthebbenden aangemeld. Dat lage opkomstpercentage was een direct gevolg van de vele sterfgevallen in de vernietigingskampen (van de ongeveer 135.000 joden in Nederland voor de oorlog werden er ongeveer 107.000 gedeporteerd en van hen keerden slechts zo'n 5.000 terug). Vrijwel direct na de bevrijding kwamen de eerste verzoeken tot restitutie bij Liro binnen. In hun eerste `Bericht aan Crediteuren' (15 maart 1946) schreven de beheerders/vereffenaars van Liro dat rechthebbenden opgave konden doen van voorwerpen en rechten, waarvan ze restitutie verlangden. Het bericht liet weinig ruimte voor illusies: “In het algemeen kan [...] gezegd worden, dat van de ingeleverde sieraden, schilderijen, goud en zilver bontmantels, postzegelverzamelingen, meubels e.d. nagenoeg niets meer aanwezig is; deze voorwerpen werden zoo spoedig mogelijk van de hand gedaan. Ook spaarbankboekjes zijn er vrijwel niet meer; het tegoed daarvan werd geind. Levensverzekeringspolissen werden meestal afgekocht bij de betrokken verzekeringsmaatschappijen; niettemin is nog een vrij groot aantal niet-afgekochte polissen aanwezig, die teruggegeven zullen worden.'

Op alle gebieden kwamen de beheerders grote problemen tegen. Zo werd een half miljoen stuks effecten voor naar schatting 110 tot 115 miljoen gulden via de Amsterdamse Effectenbeurs verkocht aan ongeveer 100.000 kopers. Ze wisselden herhaaldelijk van eigenaar. De laatste in een vaak `lange ketting van eigenaren' was de commissionair of bank die het waardepapier op de Effectenbeurs van de Liro-bank had gekocht. Het ging terug naar de oorspronkelijke eigenaar, en de eerste koper - die de uiteindelijke schade leed - kreeg een vordering op de Liroboedel.

Nalatenschappen zonder bekende rechthebbenden kregen een bewindvoerder. In veel gevallen heerste onzekerheid over het lot van de erfgenamen, hun verblijfplaats, identiteit of volgorde van erfopvolging. Ook moest worden nagegaan of er in geval van echtparen een akte van huwelijkse voorwaarden bestond. Het verervingsonderzoek strekte zich uit tot en met de zesde graad in de zijlijn. Van ongeveer 100.000 mensen werd een genealogische stamboom gemaakt om exact te kunnen zien wie de erfgenamen waren.

Een groot probleem vormde het ontbreken van overlijdensakten van joden die in de concentratiekampen waren vermoord. Verervingsprocedures verliepen (net als tegenwoordig) volgens daartoe bestemde wetten. Verzekeringsmaatschappijen en banken wilden daar streng de hand aan houden. Zij eisten voor uitbetaling deugdelijke, wettige bewijzen. In 1949 werd een wet `houdende voorzieningen betreffende het opmaken van akten van overlijden van vermisten' uitgevaardigd.

In beginsel had de joodse eigenaar (of zijn erfgenamen) recht op teruggave van zijn eigendom, maar als een pand diverse malen was doorverkocht, lag de zaak ingewikkeld. De laatste koper kon te goeder trouw zijn geweest. Er werd getracht een schikking te treffen, waarbij de schade over de achtereenvolgende kopers werd verdeeld. Vaak mislukte dat en kwam de zaak voor de Afdeling Rechtspraak, hetgeen uiteraard kosten voor juridische hulp met zich meebracht. In principe kreeg de joodse eigenaar zijn eigendom terug.

De eigenaren van bedrijven hebben vanuit financieel oogpunt de hardste klappen gehad. Geariseerde bedrijven werden onder Duits beheer gesteld en vervolgens geliquideerd of verkocht. De waarde van een bedrijf werd in praktisch alle gevallen te laag getaxeerd en dus tegen een veel te lage prijs verkocht.

Dit geld werd bovendien (in 100 kwartaaltermijnen, zonder creditrente) gestort op een rekening bij de VVRA waarover de beroofde joodse ondernemer niet mocht en in de praktijk ook nooit zou beschikken, want de deportatieplannen lagen al vast.

Na de oorlog kon zo'n beroofde ondernemer dus slechts aanspraak maken op het veel te lage bedrag dat de VVRA hem in 25 jaar had moeten uitbetalen. Dat bedrag - aanzienlijk minder dan de reele prijs - lag administratief vast en vormde het uitgangspunt voor het rechtsherstel. De autoriteiten voerden hier een formeel en legalistisch beleid.

Op grond van het bovenstaande luidt mijn conclusie dat tijdens de bezetting het rechtsherstel grondig was voorbereid met als doel om de beroofde eigenaars, voor zover mogelijk, in hun voormalige eigendomsrechten te herstellen. Dit rechtsherstel vereiste echter wel dat de geroofde bezittingen traceerbaar waren. Wat er niet was, kon niet worden teruggegeven.

Rechtsherstel mag geen synoniem zijn voor schadevergoeding. Nederlandse joden hebben geen totale schadevergoeding gehad voor de geleden verliezen tijdens de oorlog. Maar met rechtsherstel heeft dat niets te maken. Er is wel, zoals ook aan andere Nederlanders een beperkte schadevergoeding toegekend, maar de overheid zag het niet als haar taak om hetgeen de Duitsers hadden geroofd te vergoeden. Het is ook de vraag of ze dat had gekund. De benodigde bedragen waren daarvoor te groot en de financiele middelen, die toch al zorgwekkend waren vanwege de oorlog, volstrekt ontoereikend.

Voor de beroofde joden, die als bevolkingsgroep erger waren getroffen dan enige andere, heeft men bij wet geen extra voorzieningen getroffen. Een discussie over de vraag of dat wel of niet wenselijk ware geweest is publiekelijk nooit gevoerd.

Maar dat laat onverlet dat het rechtsherstel van de Nederlandse joden, uitgaande van de bij wet vastgestelde doelstelling, niet heeft gefaald. Dat betekent niet dat de zogeheten `gedepossedeerden' geen reden tot klagen hebben gehad. De restitutie kwam traag op gang en de eigenlijke uitvoering heeft veel tijd gekost. Weliswaar was dat vaak te wijten aan overmacht (bijvoorbeeld door de ontrafeling van de onvolledige administraties, het ontbreken van overlijdensakten, het opsporen van nabestaanden en de verervingsproblematiek), maar het heeft wel bijgedragen aan een negatief beeld. Ook emotioneel beleefde factoren, zoals koud legalisme en soms starre bureaucratie, stelden het rechtsherstel achteraf in een kwaad daglicht.

Daar komt bij dat mensen bij wie de restitutie weinig problemen opleverde, veelal anoniem bleven. Hun ervaringen hadden geen nieuwswaarde en we vinden ze daarom niet terug in de knipselarchieven. Geheel anders ligt dat bij mensen die in de bureaucratische molens van het rechtsherstel verstrikt raakten. Voor hen was het onrecht met het beeindigen van de oorlog niet afgelopen. Mededogen was er nauwelijks, wel miskenning. Hun schrijnende verhalen hadden wel nieuwswaarde en ze hebben ongetwijfeld bijgedragen tot het negatieve beeld van het gehele Nederlandse rechtsherstel dat ten onrechte bij velen bestaat.