De onverslaanbare Duitsers

Op 11 november was het 80 jaar geleden dat een einde kwam aan de Eerste Wereldoorlog. Althans in Europa. Maar in Afrika duurde de oorlog nog twee weken voort. Wat nu Tanzania is, heette destijds nog Duits Oost-Afrika. Een kolonie die omsloten werd door Brits Oost-Afrika (Kenia) en Rhodesie Portugees Oost-Afrika (Mozambique) en Belgisch Kongo. In de eerste helft van de oorlog verloor het Duitse keizerrijk alle kolonien aan de geallieerden: Duits Zuid-West-Afrika (Namibie), Togo, Kameroen en enkele eilanden in Oceanie. Alleen Duits Oost-Afrika wist stand te houden.

De Schutztruppe aldaar stond sinds 1913 onder leiding van de Pruisische houwdegen generaal Paul von Lettow-Vorbeck, bijgenaamd `der Tolle Mullah'. Met zo'n 200 Duitse officieren (onder wie Claus Felix von Amsberg, de vader van de latere prins der Nederlanden) en circa 2.400 inlandse Askari's wist hij vier jaar lang een Britse overmacht van enkele tienduizenden man het leven zuur te maken.

Terwijl de Britten zwoeren bij de strategie van de `totale omsingeling', bracht de sluwe Pruis het concept van de `tactische terugtocht' tot hoge graad van perfectie. Van de voet van de Kilimanjaro, tegen de grens met Brits Oost-Afrika, tot diep in Portugees Mozambique - en weer terug - sleepte hij de Britse eenheden achter zich aan. Onder de Britten vielen meer slachtoffers door het klimaat dan door vijandelijk vuur. Zo hield de malaria vooral huis onder de Britse troepen omdat deze vasthielden aan het dragen van een tenue met korte broek en hemdsmouwen. Ook dysenterie en zwartwaterkoorts maakten veel slachtoffers. Een andere verschrikking was een vlieg waarvan de made zich in het vlees boorde. Duizenden Britse tenen moesten worden geamputeerd.

Niet bekend

Een bijzonder krijgstoneel vormden de Grote Meren, waar enkele Duitse, Britse en Belgische stoomboten - inderhaast uitgerust met een kanon - elkaar naar de bodem schoten. Een episode die later de basis zou vormen voor de Hollywood-klassieker African Queen.

Afgesneden van elke bevoorrading moesten de Duitsers improviseren. Zij maakten hun eigen zeep, benzine, laarzen en kinine en vochten voornamelijk met buitgemaakte wapens. Scheepskanonnen van een gezonken kruiser werden honderden kilometers door de jungle gesleept om elders de vijand te verrassen. Een zeppelin met voorraden die in 1917 vanuit Berlijn naar Afrika was gezonden, zou ter hoogte van de Soedan onverrichterzake terugkeren. En zo kon het gebeuren dat een volkomen geisoleerde, sterk uitgedunde maar nog steeds zeer strijdvaardige Schutztruppe pas van een wapenstilstand vernam toen men toevallig een Britse legerkoerier wist te onderscheppen. Op dat moment was Von Lettow vanuit Portugees Oost-Afrika alweer noordwaarts getrokken en op eigen houtje de invasie van Rhodesie begonnen.

Op 14 november 1918 berichtte Von Lettow aan Berlijn dat hij zich overeenkomstig de voorwaarden van de wapenstilstand zou overgeven. Maar pas op 25 november, precies tachtig jaar geleden legden zijn troepen bij Abercrombie daadwerkelijk de wapens neer: Britse Belgische en Portugese geweren. Het Duitse keizerrijk was verslagen keizer Wilhelm II was naar Nederland gevlucht en Duitsland had als koloniale mogendheid voorgoed afgedaan.

Generaal Von Lettow ging met zijn officieren in Britse krijgsgevangenschap, waarbij hij met egards werd behandeld. Op 1 maart 1919 arriveerde hij per boot in Rotterdam, waar hij welkom werd geheten door o.a. de Nederlandse prins-gemaal Hendrik von Mecklenburg en de Duitse gezant. Voor de Duitsers - en menige Nederlander bij wie de herinnering aan de Boerenoorlog nog vers in het geheugen lag - was generaal Von Lettow een held: de enige Duitse generaal die tijdens de Eerste Wereldoorlog onverslagen was gebleven.