`Bestrijd imagopobleem met feiten'; Leden van beroepsgroepen praten zichzelf vaak een slecht imago aan

ROTTERDAM, 25 NOV. De tekorten aan politieagenten, leraren, verzekeraars en technici zijn te wijten aan het slechte imago dat zij hebben. Dat vinden althans de leden van deze beroepsgroepen zelf.

De veldwachter uit Dik Trom had gezag en aanzien. De verpleegster van het Droste-cacaoblikje was de verbeelding van zorgzaamheid en een voorbeeld voor veel meisjes. Maar wie nu op een feestje moet zeggen dat hij of zij politieagent, leraar of verpleger is, kan slechts op meewarige blikken rekenen.

Een imagoprobleem noemen de beroepsgroepen het zelf. En dat slechte imago zou er debet aan zijn dat steeds minder jongeren kiezen voor een beroep als verpleger, leraar of politieagent. Minister Hermans (Onderwijs) kondigde begin deze maand aan opnieuw een publiciteitscampagne te willen beginnen om het imago van de leraar op te vijzelen en daarmee de dreigende lerarentekorten te bestrijden. Minister Peper (Binnenlandse Zaken) kwam met een soortgelijk plan om het slechte beeld dat er over de politie bestaat om te buigen en zo nieuwe mensen aan te trekken.

Maar ook de verzekeraars, technici en bedrijven met lager opgeleid personeel zeggen met moeite nieuwe werknemers te kunnen vinden door problemen met hun imago. De verzekeraars omschrijven zichzelf als “saai, suf en te zakelijk'. Technici vinden dat er ten onrechte nog steeds aan “olie stank en draaibanken' wordt gedacht.

“Door het slechte imago zo in de publiciteit te brengen, wordt dat imago vanzelf slechter', zegt S. Bloem, economisch psycholoog aan de Katholieke Universiteit Brabant (KUB). “Imago's moeten niet overschat worden. Leraren, politieagenten, ze denken misschien dat mensen een uitgekristalliseerd beeld over hen hebben, maar dat is niet zo. Het beeld dat mensen van een beroep, merk of bedrijf hebben, is vaak heel oppervlakkig, een snelle en simpele associatie.'

Bloem vindt het een trend om over slechte imago's te praten.

Hij meent dat de beroepsgroepen niet zozeer last hebben van een imagoprobleem, maar van een informatieprobleem. In een tijd waarin veel informatie wordt verstrekt, weegt het publiek informatie niet af, maar onthoudt de laatst verstrekte argumenten. Als die over een slecht imago lage betaling of hoge werkdruk gaan, wordt juist dat onthouden. Bloem noemt de reclamespotjes van de Landmacht als een voorbeeld van goede communicatie. “De doelgroep van het spotje krijgt in twintig seconden het idee `goh, wat spannend' en onthoudt dat beeld.'

Ook de Tilburgse hoogleraar prof. F. Boekema denkt dat het probleem ligt aan de slechte communicatie van beroepsgroepen met toekomstige werknemers. Boekema deed in opdracht van het Technocentrum Nijmegen-Arnhem onderzoek naar het beeld van jongeren over technische beroepen. “Vaak bestaat het idee van slechte carrierekansen, smerig werk, blauwe overalls, olie en stank. De werkelijkheid is echter anders. Technici werken met computergestuurde draaibanken, waar olie niet aan te pas komt.'

“Daarbij gaat de techniek razendsnel vooruit terwijl op scholen de kennis van de leerkrachten achterblijft. De vakkennis die leerlingen bezitten is klein en dat maakt ze onzeker. Ze kiezen daardoor eerder voor een baan zonder vakkennis of met opleidingsmogelijkheden.' Volgens Boekema zou dit kunnen worden omgedraaid, wanneer bedrijven en instellingen zouden worden ingeschakeld in het opleidingsproces en daar het juiste beeld over een beroepsgroep en de vereiste vakkennis kunnen overdragen.

“Je ziet dat jongeren de neiging hebben te kiezen voor witteboordenberoepen in plaats van voor uitvoerende beroepen', zegt ook prof. B. van Praag van de Stichting Economisch Onderzoek.

“Iedereen wil directeur of consultant worden, waardoor het voorbereidend beroepsonderwijs in diskrediet raakt.' Hij maakt zich daar geen zorgen over. “Wanneer verplegers en loodgieters schaars worden in de maatschappij, zullen ze ook meer gaan verdienen. Dat zal weer leiden tot een herwaardering van het beroep.'

Van Praag denkt dat er wel over een imago gesproken kan worden, als imago het prestige van een beroep in combinatie met de status, de werkdruk en de beloning betekent. Samen met P. Berkhout keek Van Praag naar de sociale positie van leraren.

“Leraren denken dat hun positie in vergelijking met vijf jaar geleden enorm is gedaald', zegt Van Praag. Hij denkt dat dat komt door de slechte beloning. “Driehonderd gulden meer of minder verdienen is niet erg, behalve als iemand met dezelfde opleiding meer verdient en daarbij ook nog een beter aanzien heeft. Dan wordt betaling een indicator van maatschappelijke waardering.' Van Praag meent dat zelfbeeld niet onbelangrijk is. “Dat wordt door een beroepsgroep uitgedragen naar de buitenwereld.'

Maar uit onderzoeken blijkt dat het imago dat een beroepsgroep zelf denkt te hebben, niet noodzakelijkerwijs ook het beeld is dat het publiek van een beroep heeft. Twee onderzoeken naar het imago van verplegers wezen vorig jaar uit dat 46 procent van de jongeren tussen de 14 en 19 jaar het beroep van verpleegkundige interessant en aantrekkelijk vindt. Volgens de jongeren hebben verpleegkundigen carrieremogelijkheden en is het makkelijk om een baan in de verpleging te vinden.

Ook de Standaard Beroepenclassificatie van het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS) een tabel waarin 121 beroepsgroepen worden gerangschikt naar prestige sociaal-economische status en sociale klasse, geeft een ander beeld.

Leraren, verpleegkundigen en politieagenten komen al enkele jaren in het midden van de tabel voor, tussen ambtenaren en technici in.

Alleen vakkenvullers en glazenwassers kunnen spreken van een slecht imago. Zij hebben zowel de laagste status als het laagste prestige.

Leraren verpleegsters, politieagenten en technici gaan gebukt onder hun beroep