`We gaan Ocalan halen'

ANKARA, 24 NOV. Moeders van in de oorlog met de Koerden gevallen Turken betogen al tien dagen voor de Italiaanse ambassade in Ankara.

“We blijven hier net zo lang demonstreren tot de regering in Rome Abdullah Ocalan (de leider van de Koerdische Arbeiders Partij, PKK) uitlevert', zegt Selma Turkyilmaz voor de Italiaanse ambassade in het hartje van de Turkse hoofdstad Ankara. “Hij is de moordenaar van 30.000 vrouwen, kinderen en militairen', zegt ze met tranen in de ogen, “hij moet in Turkije worden berecht en verdient de doodstraf. Desnoods gaan we lopend naar Italie om hem te halen.'

Voor de tiende achtereenvolgende dag betoogt Turkyilmaz samen met de moeders van talrijke andere `martelaren' dienstplichtige Turkse soldaten die in de afgelopen jaren in de strijd tegen de PKK in Zuidoost-Turkije om het leven kwamen voor de Italiaanse diplomatieke missie in Ankara. Het zijn simpele volksvrouwen, met een traditionele hoofddoek om en gehuld in een lange regenmantel. De ingelijste foto's van hun overleden zonen, die ze huilend omhoogsteken, vormen de tastbare symbolen van hun verdriet. Het zijn veelal de jongens uit de lagere klasse die hun dienstplicht vervullen in het roerige zuidoosten, waar sinds 1984 een guerrilla-oorlog woedt tussen het Turkse leger en de PKK. Meer dan 4.000, veelal dienstplichtige soldaten kwamen er om het leven.

De arrestatie van PKK-leider Ocalan, op 12 november op het vliegveld van Rome, bracht de harten van veel Turken in beroering. Eindelijk, na 14 jaar, was er uitzicht op berechting van de man die verantwoordelijk wordt gehouden voor de gewapende strijd van de separatistische PKK, die het land niet alleen 80 miljard dollar heeft gekost, maar die ook het belangrijkste obstakel is voor democratische hervormingen.

De euforie sloeg om in woede frustratie en onbegrip over de opstelling van de Italiaanse regering, die al snel duidelijk maakte dat uitlevering van de PKK-leider onmogelijk is omdat in Turkije de doodstraf nog steeds van kracht is.

Dezelfde reden werd vorig week door het hof van appel in Rome aangevoerd om het internationale arrestatiebevel dat Ankara tegen Ocalan heeft uitgevaardigd, nietig te verklaren. Volgens de Turkse premier, Mesut Yilmaz, valt Italie hierdoor `de eeuwige vijandschap' van Turkije ten deel.

De demonstranten geven hun eigen vertaling: “Martelaren sterven nooit; ons vaderland wordt niet opgedeeld', scanderen honderden mannen en vrouwen, jong en oud, nu al dagenlang voor de Italiaanse ambassade aan de Ataturk Boulevard in Ankara. Het is een brede verkeersweg, die vanaf het presidentiele paleis op de heuvel dwars door de stad naar het oude centrum van Ankara loopt.

Ook een Turkse Fiat gaat eraan

De weg wordt voortdurend gestremd door ultranationalistische demonstranten, die gehuld in Turkse vlaggen massaal de straat oversteken. Automobilisten laten het zich instemmend welgevallen. Het gaat hier immers om een nationale zaak, zo lijken ze te onderstrepen met extra lang getoeter.

Turkse televisiestations zwiepen de volkswoede avond aan avond verder op met beelden van groepen Turken die Italiaanse schoenen of stropdassen verbranden of andere Italiaanse producten op straat vertrappen. Zelfs een motorfiets van Italiaanse makelij en een oude Turkse Fiat worden onder het oog van de televisiecamera's in brand gestoken.

De Italiaanse ambassade is een statig, oud gebouw, omgeven door een tuin. Maar het ijzeren hekwerk eromheen dient nu als billboard van de Turkse haat, zowel tegenover PKK-leider Ocalan, als tegenover de Italianen. De teksten - `Italie, wordt wakker, Apo [de bijnaam van Ocalan] verkoopt verdovende middelen aan uw kinderen', `Italie, u bent medeverantwoordelijk voor de moorden door deze man op duizenden mensen' en `Turkije eist de uitlevering van Apo' - spreken boekdelen, evenals de rouwkransen die bij het ambassadehek zijn achtergelaten.

Het Turkse volk is teleurgesteld, maar voelt zich vooral geisoleerd in Europa. “Is er dan niemand, met uitzondering van de Amerikanen, die begrijpt dat deze man berecht moet worden', vraagt Selma Gultekin vertwijfeld. Ook haar zoon kwam om in de guerrillastrijd in Zuidoost-Turkije.

“De Italianen waren de eersten met wie de Ottomanen eeuwen geleden handelsrelaties aanknoopten', onderwijst Nevzat Caliskan, een leraar, die al zijn vrije tijd nu voor de Italiaanse ambasssade doorbrengt. “Natuurlijk', beaamt hij, “is de Turkse regering niet feilloos. Het Koerdische zuidoosten is een achtergebleven stukje Turkije. Maar dat neemt niet weg dat terreur, dat anarchie gestraft moet worden. De diepgewortelde vriendschap tussen Rome en Ankara is voorbij' analyseert hij, “als de Italianen Ocalan blijven afschilderen als een verzetsheld in plaats van als de leider van een terreurorganisatie die zich schuldig maakt aan criminele activiteiten, zoals afpersing en de handel in verdovende middelen en mensen.'

De moeders van de martelaren zijn de afgelopen dagen uitgegroeid tot het symbool van de prijs die niet alleen het Turkse, maar ook het Koerdische volk heeft betaald voor de separatistische strijd van de PKK in het zuidoosten van Turkije. “Ocalan heeft ons onze kinderen, ons dierbaarste bezit afgenomen', zegt Selma Gultekin. Haar zoon Tarik stierf ruim drie jaar geleden in Tunceli, in Oost-Turkije. Tientallen andere moeders en vaders van martelaren verdringen zich om ook de naam van hun zonen in de krant afgedrukt te krijgen. Sadik Turkyilmaz kwam in de zomer van 1995 in Cucurca, de bergachtige grensstreek met Irak, om het leven. Zafer Arslan vond de dood in maart van datzelfde jaar bij een grensoverschrijdende operatie van het Turkse leger tegen de PKK in Noord-Irak.

Het is voor het eerst dat deze jongemannen uit de anonimiteit worden gehaald, ook al stierven ze in de ogen van hun volk een martelaarsdood.

Het verdriet over de doden is zo intens dat er geen ruimte is voor politieke beschouwingen. Is Turkije niet deels zelf verantwoordelijk voor het verzet door negering van de Koerdische roep om de mogelijkheid de eigen identiteit uit te dragen, om politieke en culturele hervormingen? En zou het afzweren van geweld door PKK-leider Ocalan geen einde kunnen maken aan de bloedige oorlog in het Koerdische zuidoosten van Turkije en de weg openen voor een politieke oplossing van het Koerdenvraagstuk? Voor zulke vragen is hier geen plaats. Het nationalisme van de demonstranten staat bovendien geen zelfkritiek toe. De PKK wordt door hen vereenzelvigd met separatisme, met anarchie, met terreur. “De Turken en de Koerden zijn broeders', voert de leraar Caliskan aan, “het probleem is de Koerdische terreur, de PKK.'