Niemand blij; De ongekend lage olieprijzen en de OPEC

De vereniging van olie-exporterende landen (OPEC) kon ooit de olieprijs dicteren, maar dat is nu anders. De prijs is dramatisch gedaald, en het ziet er naar uit dat de OPEC-landen - morgen in vergadering bijeen - daar niet zo gauw iets op weten te vinden. De omgekeerde oliecrisis: oorzaken gevolgen, en mogelijke remedies.

Glimlachend vult de Amerikaanse automobilist vandaag de dag zijn benzinetank. Zo goedkoop als nu heeft hij het in jaren niet meegemaakt. De noodzaak voor het aanschaffen van een zuinige Europese of Japanse wagen is even totaal naar de achtergrond verdwenen. Maar die autorijders in de VS zijn zo ongeveer de enigen die profiteren van de malaise op de internationale oliemarkt. In de hele oliewereld - of het nu gaat om producerende landen, importlanden of oliemaatschappijen - overheerst een diep gevoel van mistroostigheid. De prijs van ruwe olie is lager dan ze in twaalf jaar is geweest. De tien dollar komt in zicht en volgens menige kenner zal de prijs de komende maanden nog verder dalen.

De OPEC de Organisatie van olie-exporterende landen, eens de dominerende factor op de oliemarkt, staat machteloos aan de kant. “OPEC is dood', roepen veel oliedeskundigen, al waarschuwen anderen dat het kartel aan het eind van de huidige crisis wel eens aanzienlijk versterkt uit het graf kan herrijzen.

In de jaren zeventig schreeuwde de wereld moord en brand over de prijsverhogingen door de OPEC. Vandaag staat merkwaardig genoeg bijna niemand te juichen nu olie, rekening houdend met de inflatie in feite weer goedkoper is dan voor de eerste oliecrisis van 1973/74. Waarom is niemand blij?

De olieproducenten niet omdat zij vele miljarden aan inkomsten missen en hun overheidsbudgetten zwaar onder druk staan. De olieconcerns niet omdat hun winsten fors teruglopen en hun investeringen in dure oliewinning verliesgevend worden of dat al zijn. En de consument? Die merkt er in de meeste Westerse landen als gevolg van belasting, accijns, ecotax of andere milieuheffingen weinig van.

Het enige voordeel is dat lage olieprijzen doorwerken in de prijzen van andere producten, en dat mede daardoor de inflatie wordt gedrukt.

Morgen doen de olieministers van de OPEC-landen in Wenen een poging het prijsverval een halt toe te roepen. Eerder dit jaar besloot de organisatie al tot tweemaal toe tot een productieverlaging van bij elkaar 2,6 miljoen vaten (van 159 liter) per dag, maar door de overvloed aan olie op de markt haalde die maatregel niets uit. Op voorhand menen de meeste waarnemers dat OPEC ditmaal weinig oplossingen voor de prijscrisis te bieden heeft.

Zelfs de Iraanse onderminster van olie Sayed Hosseini gaf afgelopen week tijdens de conferentie Oil & Money in Londen toe dat voor OPEC een verdere productieverlaging waarschijnlijk te veel gevraagd is. Iran is qua productie nummer twee in Opec na Saoedi-Arabie. “Verder snijden in de olieproductie lijkt op dit moment niet haalbaar' zei daar ook bestuursvoorzitter Adrian Lajous van de staatsoliemaatschappij Pemex van Mexico. Mexico is geen OPEC-lid maar nam dit voorjaar wel samen met Saoedi-Arabie en Venezuela het initiatief tot gezamenlijke actie. Mexico zelf reduceerde de productie met 200.000 vaten per dag en is volgens Lajous bereid dit tot eind '99 vol te houden indien ook de OPEC haar kortingen tot dat tijdstip handhaaft.

Sommige lidstaten van OPEC, zoals Koeweit, willen wel verder zakken met de productie, maar tijdens een conferentie in Zuid-Afrika twee weken geleden leek een verlenging van het huidige quota-beleid tot eind '99 het hoogst haalbare.

Het grote probleem voor de olieproducenten vormen momenteel de gigantische voorraden ruwe olie en olieproducten. Die voorraden zijn door een combinatie van factoren ontstaan: een hogere productie buiten de OPEC, productie-uitbreiding in Irak als uitvloeisel van het voedsel-voor-olie akkoord, de milde winter van 1997/98, en door het teruglopen van de vraag door de crisis in Azie.

Naar schatting van de meeste deskundigen, inclusief het Internationaal Energie Agentschap in Parijs, is er alleen al in de maand oktober 1,4 miljoen vaten per dag aan de voorraden toegevoegd.

Dat is merkwaardig omdat volgens de cijfers van het IEA zelf in oktober de wereldvraag het aanbod van olie licht overtrof. De vraag beliep 74,6 miljoen vaten per dag en het aanbod 74,2 miljoen. OPEC's secretariaat spreekt over een toevoeging aan de voorraden van ruim 2 miljoen vaten per dag in de eerste negen maanden van dit jaar.

MISSING BARRELS

Hier wreekt zich het door alle deskundigen al jaren gesignaleerde gebrek aan betrouwbare cijfers over zowel productie als voorraden. Het IEA spreekt over het kennelijk boven water komen van de “missing barrels', een hoeveelheid olie die in de eerste helft van dit jaar was “zoekgeraakt'. De verklaring is vermoedelijk dat veel oliemaatschappijen, productielanden en handelaren ongeregistreerde voorraden aanhouden in tankers op zee om die naar die plekken op de wreld te kunnen dirigeren waar ze het meeste opbrengen.

Speculatie met termijncontracten is een ander euvel dat de doorzichtigheid van de oliemarkt sterk kan vertroebelen. Het geven van betrouwbare informatie is trouwens ook nooit de sterkste kant geweest van de OPEC-lidstaten. Vooral in periodes van lage prijzen steekt het euvel van het ontduiken van opgelegde quota's de kop op. Ook nu komt nog niet elk OPEC-land zijn beloften na. De nood is dan ook hoog. Naar schatting van oliedeskundigen lopen alleen al de OPEC-landen dit jaar door de prijsval minstens 50 miljard aan inkomsten mis. En voor een aantal van die landen vormt olie vrijwel de enige bron van inkomsten.

Tot en met de eerste helft van de jaren tachtig heeft de OPEC getracht de markt een olieprijs te dicteren. Dat streven leed in 1986 jammerlijk schipbreuk en de prijs van de populaire lichte Noordzee-olie, Brent, zakte toen diep weg tot circa 9 dollar. De overschakeling op het systeem van productiebeperking via quota's per land bracht OPEC de jaren daarna weer enigszins in het zadel. Nu lijkt ook het quotastelsel te falen. Professor Robert Mabro, directeur van het invloedrijke Oxford Energy Institute, is somber over OPEC's naaste toekomst. “Geen enkel systeem werkt als de politieke wil tot samenwerking ontbreekt', zegt hij desgevraagd.

EIGEN GRAF GEDOLVEN

OPEC heeft min of meer haar eigen graf gedolven. Door het opjagen van de prijzen in de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig is overal ter wereld oliewinning in gang gezet. Vaak gebeurde dat - bijvoorbeeld in de Noordzee - tegen aanzienlijk hogere kosten dan de 2 tot 3 dollar die het winnen van een vat olie in het Midden-Oosten gemiddeld kost. Dit leidde, samen met fikse energiebesparingsmaatregelen in de industrielanden, wel tot een forse afkalving van OPEC's marktaandeel: van ruim boven de 50 procent tot een kleine 40 procent nu. Inmiddels komen dagelijks 44 miljoen vaten olie uit niet-OPEC-landen en circa 27 miljoen uit het OPEC-gebied.

Niemand weet precies hoever de olieprijs de komende maanden zal doorzakken. De meeste experts zien voorlopig geen herstel, vooral omdat de vraag naar olie door de economische crises in Azie, Rusland en Zuid-Amerika waarschijnlijk sterk zal achterblijven. Vooral de crisis in Azie beroofde de oliemarkt van een regio waar de vraag naar olie afgelopen jaren het snelst was gestegen.

Sommige experts, zoals die van de Economist Intelligence Unit, voorspellen voor de komende maanden een prijs van even onder de 10 dollar. De Amerikaanse olieconsulent Philip Verleger acht het denkbaar dat de olieprijs nog voor het eind van dit jaar dramatisch kan instorten. “Speculanten zijn in staat de prijs in enkele dagen 3 of 4 dollar te laten kelderen als zij vinden dat de olielanden onvoldoende doen om vraag en aanbod in evenwicht te brengen', meent hij.

De gevolgen van een langere periode van zeer lage olieprijzen beginnen zich al af te tekenen. In de industrie is dit jaar een ongekende tendens tot fusies en samenwerkingen op gang gekomen. BP nam Amoco over, Shell en Texaco bundelden hun raffinage en verkoopactiviteiten in de VS en straks waarschijnlijk ook in Europa. Reorganisaties en kostenbesparingen volgen elkaar op. Dure exploratieprojecten worden stopgezet of uitgesteld.

De olielanden moeten hun overheidsbudgetten sterk inkrimpen. Dit kan volgens sommige waarnemers tot verstrekkende veranderingen leiden in landen als Saoedi-Arabie, Koeweit en andere Golfstaten. Saoedi-Arabie een land dat zich de afgelopen decennia in een ongekende welvaart kon wentelen, zou gedwongen kunnen worden tot het afschaffen van zijn gratis onderwijs, gratis huisvesting en gratis gezondheidszorg. Zelfs de introductie van belastingheffing is niet uit te sluiten.

De oliesector houdt er ook sterk rekening mee dat de Saoediers en andere olieproducenten in het Midden-Oosten - waar zich nog steeds tweederde van wereldoliereserves bevindt - hun olieproductie eindelijk zullen openstellen voor internationale olieconcerns. Topman Franco Bernabe van het Italiaanse Eni-concern acht dit het meest waarschijnlijke scenario.

En hij is bepaald niet de enige die dit denkt, ook de Amerikaanse minister van Energie Bill Richardson ziet openingen in het Midden-Oosten. Iran, Venezuela en Saoedi-Arabie hebben westerse olie-multinationals al een participatie in grote exploratieprojecten aangeboden.

Volgens Bernabe heeft het openen van hun grenzen voor Westerse oliebedrijven voor de grote olielanden twee voordelen: ze kunnen hun olieproductie verder ontwikkelen zonder alles zelf te moeten financieren. Met het geld dat ze zo in eigen zak houden kunnen de landen trachten hun economische structuur te diversificeren. In de tweede plaats zei Bernabe op de conferentie Oil & Money, zal het de grote OPEC-producenten in staat stellen dure olieproductie op andere plaatsen in de wereld te verdringen. Dit kan de grote olieleveranciers uit de Golf aan een hoger marktaandeel helpen.' Shells bestuursvoorzitter Mark Moody-Stuart opperde deze keuze voor een vergroting van het marktaandeel door de landen in het Midden-Oosten al eerder.

Dat deze ingrijpende beleidswijzigingen in de grote OPEC-landen voor de deur staan, verzint de olie-industrie niet zomaar. De voornaamste aanwijzing ervoor kwam van de kant van de Saoedische kroonprins Abdullah, die onlangs alle bazen van Amerikaanse oliemaatschappijen bijeenriep in Washington. Een zeer ongebruikelijk initiatief, dat enkele weken later werd nagevolgd door de olieminister van Koeweit.

SLECHTE VOORUITZICHTEN

Op korte termijn zal de eventuele nieuwe opstelling van de Golfstaten geen effect op de oliemarkt kunnen hebben. Alleen een strenge winter op het noordelijk halfrond kan de komende maanden enig soelaas bieden voor de lage olieprijs. Maar tot een echte prijsstijging zal het volgens de meeste deskundigen niet leiden.

De gangbare opinie is dat de grote voorraden de prijs nog zeker tot eind volgend jaar onder druk zullen houden. En daarnaast verwachten velen eerder een verder inzakken van de vraag als gevolg van de alom verslechterende economische voorzichten, ook in de geindustrialiseerde landen.

Maar zoals altijd blijft de politiek de meest onzekere factor voor de oliemarkt. Wat gebeurt er met Indonesie zelf olieproducent en OPEC-lid? Wat gebeurt er met de olie-industrie in het chaotische Rusland? Zal Saddam Hussein opnieuw tot de grens van confrontatie met de VS en de VN gaan? De Golfoorlog heeft bewezen dat de olieprijzen uitermate gevoelig zijn voor crisissituaties in productielanden.

Het comite van olieministers komt viermaal per jaar bijeen om de situatie op de oliemarkt te bespreken. Eens per halfjaar wordt het productiebeleid voor de volgende zes maanden vastgesteld. Tot 1986 hanteerde OPEC de prijs als instrument om de oliemarkt te beheersen. Toen dat niet werkte, werd overgeschakeld op productiemaxima per land, zogenoemde quota`s. Hierover wordt officieel bij unanimiteit beslist.