Iraakse vluchtelingen geloven Amerika niet

LONDEN, 24 NOV. Washington en Londen willen de oppositie tegen de Iraakse leider Saddam Hussein verenigen, maar scepsis overheerst.

Willen de Amerikanen - en in hun voetspoor de Britten - nu eindelijk de Iraakse president Saddam Hussein vervangen door een minder bloeddorstig regime? En zijn ze dus van plan de Iraakse oppositie niet langer met woorden maar met daden te steunen? Of zijn alle officiele mededelingen dat Washington en Londen liever vandaag dan morgen Saddam zien verdwijnen alleen maar onderdeel van een psychologische oorlog? Een oorlog die uitsluitend ten doel heeft Saddam de stuipen op het lijf te jagen om hem “terug in zijn kooi' te krijgen, waaruit hij keer op keer dreigt te ontsnappen.

Bijna alle Iraakse politieke vluchtelingen in Groot-Brittannie zijn ervan overtuigd dat de Amerikaanse regering ook ditmaal `niet serieus' is. Zij wijzen op de vele malen dat het Westen mooie beloften deed aan Saddams vijanden, en hen vervolgens in de steek liet. Zij geloven ook niet dat de 97 miljoen dollar aan militaire steun die Washington aan de oppositie wil geven, bij de juiste mensen belandt. “Dat geld zal alleen maar een paar mensen miljonair maken', zegt dr. Mahmud Osman, een oude strijder voor een vrij en onafhankelijk Koerdistan. “En zoals bekend, zijn miljonairs niet bereid om voor hun idealen te vechten maar willen zij alleen hun miljoenen vermeerderen.'

Er heerste dan ook alom zeer grote scepsis toen het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken officieel aankondigde dat staatssecretaris Derek Fatchett met de Iraakse oppositie zou bespreken hoe deze zich zou moeten verenigen om “een geloofwaardig en democratisch alternatief voor Saddam' te vormen. De bijeenkomst van gisteren was namelijk niet de eerste, maar slechts een in een lange reeks van tot niets verplichtende gesprekken.

De verwarring begon meteen al. Volgens Derek Fatchett voerde hij overleg met zestien oppositiegroepen. Maar volgens een woordvoerder van het INC waren er vertegenwoordigers van vijftien groepen aanwezig “en een onafhankelijke meneer, die alleen zichzelf voorstelt'. Het INC, het Iraq National Congress, werd in 1992 opgericht als een overkoepelende paraplu van alle oppositiepartijen, maar is sindsdien uiteengespat. Diverse groepen zijn eruit gestapt, of hebben hun deelname aan het INC “bevroren', omdat zij niet langer willen samenwerken met Ahmed Chalaby, de door Washington naar voren geschoven leider van het INC.

Tot dusver heeft de oppositie, die volgens een recente schatting van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken niet minder dan 74 groeperingen telt, op geen enkele wijze aangetoond dat zij bereid is samen te werken. Integendeel. De grotere groepen bestrijden liever elkaar dan Saddam, en worden daarin om uiteenlopende redenen krachtig gesteund door Iraks buren. En de kleinere groepen stellen helemaal niets voor.

Alle scepsis gaat echter gepaard met een stroom van geruchten dat Washington en Londen ditmaal misschien toch wat serieuzer zijn dan voorheen, omdat zij het zich politiek niet langer kunnen veroorloven Saddam elk half jaar met grootscheepse bombardementen te bedreigen, als hij zich opnieuw “misdraagt'.

Gisteren gaf Derek Fatchett op een persconferentie, zeer behoedzaam de richting aan van een mogelijke koersverandering. Hij zei: “Het is ondenkbaar zich voor te stellen dat een Irak zonder Saddam niet een betere plek is.' Even later zei hij dat “het niet onze taak is (namelijk van Londen maar Washington) om de Iraakse leider te vervangen.'

Fatchett en zijn Amerikaanse collega Martin Indyk, die vandaag met de Iraakse oppositie in Londen overleg voert, willen weten hoe deze tot dusver elkaar bestrijdende groepen de toekomst van Irak zien, welke plannen zij hebben om de schendingen van de rechten van de mens in hun land aan de kaak te stellen, en of zij bereid zijn hun anti-Saddam-activiteiten te coordineren. Het is een beproefd Amerikaans procede: eerst vaststellen wat punten van overeenkomst zijn, en pas daarna bespreken hoe de geschilpunten kunnen worden opgelost. Het eerste deel van zulke onderhandelingen is niet zo moeilijk omdat alle oppositiegroepen om het hardst roepen dat zij een democratie willen en een Irak zonder Saddam. Maar het kwam bijna nooit tot deel twee van de gespreksrondes - de verzoening - omdat iedereen op zijn strepen bleef staan en zijn eigen leiderschap als de enige oplossing zag.

Als ditmaal de oppositie wel tot samenwerking bereid is en als ook nog eens de buurlanden van Irak niet langer de oppositiegroepen tegen elkaar uitspelen met behulp van financiele ondersteuning dan wel dreigementen, dan is het voor de eerste maal mogelijk voor Irakezen om het tegen Saddam op te nemen. Op dit moment echter lijkt dat alleen nog maar een droom.

De afgelopen dagen werden door de oppositie ideeen gelanceerd voor een opstand. Zo sprak Nabil Mussawi, een van de woordvoerders van het INC over de mogelijkheid om “een voorlopige regering te proclameren in bevrijd Iraaks gebied'. Dat gebied zou beschermd kunnen worden, als de Amerikanen een vliegverbod opleggen aan Iraakse vliegtuigen en helikopters, alsmede een rijverbod aan Iraakse tanks en pantserwagens in het noorden, oosten, zuiden en westen van het land.

De aldus ontstane bevrijde en beschermde gebieden zouden een magnetische aantrekkingskracht kunnen hebben op ontevreden manschappen van Saddams elitetroepen, die van daaruit niet voortdurend aangevallen zouden willen worden.

Maar dit is een onrealistisch scenario. Het Westen en de buurlanden van Irak zijn het namelijk over een ding eens: Irak mag onder geen beding in stukken uiteenvallen. En “bevrijde gebieden', beheerst door groepen die elkaar het licht in de ogen niet gunnen, zouden van Irak wel eens “een tweede Afghanistan' kunnen maken. Saddam - zo concluderen deskundigen - kan daarom alleen worden afgezet door een generaal uit zijn naaste omgeving. Die zou dan bepaalde oppositiegroepen te hulp kunnen roepen om zijn legitimiteit te bewijzen om zich staande te houden.

Een pas gevluchte Irakees beschrijft hoe moeilijk ook dat is. “Het regime is zo bang dat het omver wordt gegooid, dat het hele systeem op angst en terreur berust. Als twee soldaten op een brug met elkaar praten, zien ze in de veiligheidsdiensten dat al als een mogelijk complot. En als een hoge officier contact opneemt met een collega, en hem om hulp vraagt bij een couppoging, vermoedt de ander onmiddellijk een provocatie. Dus geeft hij de man die hem benaderd heeft aan, om zo zijn eigen huid te redden.'