Een symbolisch begin

Het begin van de door de Labourregering beloofde hervorming van het Hogerhuis is er, maar we moeten er wel een vergrootglas op zetten om het te zien. Het gaat vooralsnog alleen om de hervorming van de wolzak, maar aangezien dat meubelstuk een grote symbolische betekenis heeft in de staatkundige geschiedenis van Engeland - waarin de wol verwijst naar de welvaart van Engeland in de Middeleeuwen - moet ook zeker aan dit aanloopje een symbolische betekenis worden toegekend. De Speaker (die behalve Lord Canceler nog grootzegelbewaarder is) behoeft niet langer onder het gewicht van zijn 17de-eeuwse staatsiepruik en zijn antieke mantel op de wolzak te zitten. Behoudens op hoogtijdagen, zoals de opening van het parlementaire jaar door de koningin, mag hij zich voortaan in gewone kleren in het Hogerhuis vertonen, mits hij zwarte schoenen draagt (zonder merknamen op de zijkanten).

De dispensatie die de Speaker heeft gekregen is een voorbode van een veel verder gaande hervorming die het Hogerhuis te wachten staat, als de regering-Blair tenminste doet wat zij heeft beloofd. In de eerste fase van die operatie ruimen de erfelijke zetels het veld (met de titel Lord) en vervolgens worden de wetgevende bevoegdheden van het Hogerhuis beperkt. Op de eerste fase is de regering intussen uitgestudeerd, maar op wat ervoor in de plaats moet komen - een benoemde of een direct gekozen senaat - nog niet. Wat wel lijkt vast te staan is Blairs toewijding aan het tweekamerstelsel. Hij heeft zijn democratische beginselen op dit punt dus niet afgezworen en vindt nog steeds dat het proces van wetgeving een zorgvuldige parlementaire controle vereist, waarbij een kamer van revisie onmisbaar is. In het Engeland van Blair is dat zeker geen overbodige luxe. Het door Labour gedomineerde Lagerhuis is een willoos instrument in de handen van Blair geworden en het Hogerhuis heeft te weinig constitutionele macht om als zeef te fungeren.

De grote vraag is echter of Blair de verleiding zal weten te weerstaan het hervormde Hogerhuis straks met zijn geestverwanten vol te stoppen, maar de kiezers erover zal laten beslissen. Dat laatste is de enige weg om een tweede kamer (de Engelsen hanteren de logische volgorde) met een democratische legitimatie te creeren.

De supporters van de Lords zullen voortaan naar het museum van de staatkundige oudheden moeten als de regering-Blair de nieuwe tijd binnenstapt. De sluiting van het laatste bedrijf, dat altijd werk verschafte aan 70-, 80- en 90-jarige mannen en vrouwen, is nabij. Van het Hogerhuis kan alleen nog in de verleden tijd gezegd worden: hier werkte een honderdjarige nog in de volle kracht van zijn leven.

Manny Shinwell, de minister van Defensie en van Energie in het kabinet-Attlee boeide op zijn 95ste jaar nog het Hogerhuis met zijn toespraken over de toestand van het Midden-Oosten, zonder een woord van papier te spreken. Vijf jaar later werd hij in een leeszaal van het Hogerhuis bijna verpletterd door een stuk hout dat uit een balk van het plafond losraakte en naar beneden kletterde. Shinwell stierf op de leeftijd van 101 jaar in het harnas van zijn Lordly ambt. Hij had zijn benoeming voor het leven nooit anders dan letterlijk opgevat en er geen dag van verspild.

Het sprekersparadijs dat het Hogerhuis altijd was, zal de hervorming evenmin overleven. De Lords hebben nooit aan spreekbeurtverdeling gedaan noch aan spreektijdrantsoenering, in tegenstelling tot het Lagerhuis waarvan de leden het `oog van de Voorzitter moeten trekken' wanneer zij het woord willen voeren. His Lordship die vier uur aaneen het woord wil voeren, maakt zich niet populair bij zijn collega's, maar niemand zal hem de mond snoeren. Het ergste dat de Chief Whip in het Hogerhuis voor zo'n partijgenoot in petto heeft is de vermaning: “Besef je wel, old boy, dat je al drie keer hebt gesproken deze week?'

In het Hogerhuis gelden geen regels van de klok, maar uitsluitend van omgang en wellevendheid. De auteur John Wells geeft in zijn knappe en vermakelijke geschiedenis The House of Lords (Hodder & Stoughton, Londen, 1997) komische voorbeelden van de legendarische beleefdheid die de sprekers in het Hogerhuis onderling in acht nemen. Een lid dat het woord heeft gevoerd is zojuist gaan zitten. Verscheidene sprekers hebben zich van hun plaats verheven om hem op te volgen, maar een gemeenschappelijke aarzeling weerhoudt hen ervan te beginnen.

Ze merken dat ze elkaar dreigen te verdringen en gaan in hun overweldigende beleefdheid gelijktijdig weer zitten. Ten slotte is er een die de voortvarendheid heeft van de aarzeling om hem heen gebruik te maken en die voorkomt dat het Hogerhuis door een beleefdheidskramp in onmacht valt.

John Wells beschrijft ook het voorval van de twee concurrerende gehoorgestoorde Lords die minutenlang het woord voeren zonder te merken dat ze tegelijk naar de aandacht van de vergadering dingen. Volgens Wells komt zoiets regelmatig voor, hetgeen doorgaans “zoiets als een beschaafd gegrom van verlegenheid veroorzaakt, waardoor een van beiden of wellicht allebei zich gedwongen voelt te gaan zitten'. Wat een verschil met de andere kant van het huis! In het Lagerhuis verdoen ze een groot deel van hun tijd met het elkaar overschreeuwen. In het Hogerhuis verdoen ze hun tijd met 19de-eeuws vertoon van courtoisie.

Uit het gezichtspunt van architectuur en traditie is het Engelse Hogerhuis veruit het belangwekkendste staatkundige theater ter wereld.

Maar die kwaliteit is aan een groot aantal leden niet besteed. Er zijn leden die permanent afwezig zijn en er zijn leden die nooit spreken. Politieke verantwoording hoeven ze daar niet voor af te leggen, want ze behoren niet tot een gekozen, vertegenwoordigend orgaan.

De grootste spijbelaars zijn de herenboeren en de grootgrondbezitters die alleen op de ceremoniele praaldagen naar Londen komen om in hun hermelijn-gebiesde mantels het antieke toneel te vullen. Niemand zal ze missen, doordat ze zich nooit onmisbaar hebben gemaakt.