De Vries pakt `afschuwelijk probleem' aan

BRUSSEL, 24 NOV. Minister De Vries van Sociale Zaken lanceert een nieuwe `sluitende aanpak' van de werkloosheid. Vanaf volgend jaar krijgt iedere werkloze binnen een jaar scholing, werkervaring of bemiddeling bij het vinden van een baan. “We hebben veel te laat ingegrepen.'

Hoeveel werklozen door zijn plan, `de sluitende aanpak van de werkloosheid', aan een baan worden geholpen durft minister De Vries (Sociale Zaken) niet te zeggen. Wel hoeveel mensen ervan kunnen profiteren. Dat moeten er, als de aanpak over vijf jaar op stoom ligt jaarlijks zo'n 135.000 zijn.

Een sluitende aanpak van de werklosheid - het is een van de belangrijkste opdrachten die de bewindsman via het regeerakkoord heeft meegekregen. Gemeenten, arbeidsbureaus en commerciele bedrijven krijgen vanaf volgend jaar gemiddeld 6.000 gulden per werkloze om hen binnen een jaar te helpen aan een `traject', de verzamelnaam voor alle pogingen werkzoekenden van de straat te houden en het idioom dat De Vries' departement hanteert. Een traject kan een aanvullende opleiding zijn, een werkervaringsplek of een actieve vorm van arbeidsbemiddeling. Als het de drempel tot de arbeidsmarkt maar verlaagt. Totale jaarlijkse kosten: 800 miljoen gulden per jaar.

Werklozen jonger dan 23 jaar zouden binnen een half jaar zo'n traject aangeboden moeten krijgen, oudere werklozen binnen een jaar. Dat moet van Europa: een jaar geleden spraken alle vijftien lidstaten af dat binnen vijf jaar aan elke werkloze iets van scholing, werkervaring of bemiddeling moet worden aangeboden.

“Eigenlijk is het een afschuwelijk probleem', zegt De Vries na afloop van een bijeenkomst in Brussel waar alle EU-ministers van Sociale Zaken hun werkgelegenheidsplannen op tafel moesten leggen. “Er zijn genoeg mensen beschikbaar en toch zijn er werkgevers die de mensen niet kunnen krijgen die ze nodig hebben.'

Scholing is dan ook het toverwoord om dit `afschuwelijke probleem' uit de weg te helpen. “Elke werkgever weet inmiddels dat, als hij iemand echt nodig heeft, hij iets zal moeten aanbieden in de sfeer van begeleiding, opleiding en training.

Het draait nu om moeilijker op de arbeidsmarkt plaatsbare personen, waarbij omscholing meer moet zijn dan een korte cursus.'

Werk ligt er nog genoeg, vindt De Vries, vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt. “Je ziet hoogleraren uren achter de kopieermachine van de universiteit staan een flagrante inbreuk op hoe taken verdeeld zouden moeten worden.'

Werkloosheid sleept een reeks van geldverslindende problemen achter zich aan, zoals verpauperende buurten en sociale onrust. “We zijn daarin lang penny wise, pound foolish geweest in Nederland. Ik geef een voorbeeld: ik werkte bij de Erasmus-universiteit en daar was 's nachts geen bewaking want daar was geen geld voor. Iedereen kon 's avonds het gebouw uitlopen en er verdwenen ook de nodige spullen. Maar dat was minder duur, zo verzekerde men mij, dan het aanstellen van nachtportiers. Op de tram hetzelfde verhaal: zwartrijden zou minder duur zijn dan een kaartjescontroleur.' Kortzichtig, vindt De Vries, want als je maar lang genoeg wacht, slaat de balans door in het voordeel van de factor arbeid.

Vandaag stuurt hij zijn `sluitende aanpak van de werkloosheid' naar de Tweede Kamer. Het begrip `sluitend' heeft twee betekenissen. Het drukt niet alleen het streven uit dat elke werkloze iets krijgt aangeboden om de gang naar de arbeidsmarkt mogelijk te maken. Ook heet het plan `sluitend' te zijn omdat het kabinet meent ermee de laatste kloof te hebben gedicht bij de bestrijding van de werkloosheid. Voor langdurig werklozen zijn er immers de Melkertbanen. Voor arbeidsgehandicapten is er de sociale werkvoorziening, bekend van de sociale werkplaatsen. En werklozen jonger dan 23 jaar konden al enige tijd rekenen op `trajecten' gericht op “toeleiding naar werk', zoals ambtenaren van De Vries dat formuleren.

Bij al die plannen komt nu de `sluitende aanpak', met als doelstelling te voorkomen dat werkzoekenden langdurig werkloos worden. Hoe beter dat lukt, hoe meer kan worden gedaan voor de langdurig werklozen van vandaag.

Wat De Vries betreft, vormt de `sluitende aanpak' een inhaalslag. “We hebben veel te laat ingegrepen. In het verleden is het alles-op-alles zetten om het aantal langdurig werklozen niet te laten oplopen nooit zo in beleid opgenomen.'

De Vries' drijfveer is het utopische ideaal van volledige werkgelegenheid: “Dat is voor mij het perspectief, ik kan geen andere ambitie hebben dan zo veel mogelijk mensen aan het werk zien te krijgen.'

Om dat perspectief gestalte te geven moet de bewindsman uit allerlei hoeken en gaten geld bij elkaar schrapen. Volgend jaar moet de sluitende aanpak meteen een stevige impuls krijgen. Het budget voor volgend jaar is echter karig: 165 miljoen gulden, goed voor zo'n 27.500 trajecten.

Om het bedrag naar de gewenste 800 miljoen per jaar te tillen zullen de sociale partners en hun met een paar honderd miljoen gulden gevulde O&O-fondsen, voor Opleiding & Ontwikkeling, over de brug moeten komen. Dan zijn er nog de Europese structuurfondsen, waaruit De Vries in 2003 moeiteloos 300 miljoen meent te kunnen putten. Verder rekent de minister nog op de coordinator van de sociale verzekeringen, het Lisv die nog ergens een potje heeft van 50 miljoen.

De belangrijkste inkomstenbron is evenwel een besparing. Immers, als de trajecten naar een baan leiden, besparen ze uitkeringen. Van de 800 miljoen zou zo 270 miljoen moeten worden terugverdiend. Dan moet wel zo'n veertig procent van de aangeboden scholing, werkervaring of bemiddeling tot werk leiden.

De rekenmeesters van het kabinet, het Centraal Planbureau, hanteren een aanzienlijk lager percentage. Zij denken dat niet meer dan een kwart van de doelgroep van de `sluitende aanpak' een baan zal vinden, waarmee zo'n 170 miljoen wordt terugverdiend.

Tegelijk met een sluitende aanpak van de werkloosheid gaat de hele uitvoering van de sociale zekerheid op de schop. Arbeidsbureaus, sociale diensten uitvoerders van de WW en de WAO krijgen een gemeenschappelijk loket, de Centra voor Werk en Inkomen (CWI). Ook de `trajecten' moeten vanuit de CWI's worden uitgezet.

“Zie de CWI als een kopstation', zegt De Vries, “mensen die zich bij dat station melden kunnen vandaar met verschillende sporen weg. De ene meteen terug naar de arbeidsmarkt, de andere sporen gaan naar gemeenten en uitvoerders die voor de moeilijke gevallen, mensen die echt een traject of begeleiding nodig hebben de terugkeer naar de arbeidsmarkt mogelijk maken. Wat ik wil is dat het kopstation geen eindstation wordt.'

    • Robert Giebels