Uitgaven voor het onderwijs blijven achter; Uitkomst OESO-onderzoek

ROTTERDAM 23 NOV. Nederland geeft 5,4 procent van het bruto binnenlands product (BBP) uit aan onderwijs. Dat is net zoals in voorgaande jaren minder dan de overige leden van de OESO die gemiddeld zes procent van hun BBP aan onderwijs besteden.

Dit blijkt uit het rapport 'Education at a glance, 1998' van de Organisatie voor Samenwerking en Ontwikkeling, dat grotendeels gebaseerd is op cijfers uit 1995.

Toch zijn Nederlanders in algemene zin goed opgeleid. Ook de geletterdheid van de Nederlandse bevolking is hoog vergeleken bij andere landen, aldus de OESO.

Nederland besteedt net iets meer aan onderwijs dan Belgie (5,1 procent van het BBP) en Groot-Brittannie (5,3 procent). Denemarken daarentegen besteedt 8,6 procent aan onderwijs en Frankrijk en de Verenigde Staten respectievelijk 6,6 en 6,7 procent.

Voor alle onderwijssectoren in Nederland geldt dat de uitgaven per leerling/student onder het gemiddelde liggen.

Aan de basisschoolleerlingen wordt ongeveer 6.500 gulden per jaar besteed 11 procent minder dan gemiddeld. Aan leerlingen in het voortgezet onderwijs wordt met ongeveer 9.000 gulden 12 procent minder dan gemiddeld uitgegeven. Studenten in het hoger onderwijs krijgen gemiddeld 25 procent minder dan studiegenoten in andere OESO-landen, circa 18.000 gulden per jaar.

Het OESO-gemiddelde wordt omhooggetrokken door de zeer hoge uitgaven van de VS aan het hoger onderwijs. Wanneer dat wordt verdisconteerd, geeft Nederland in vergelijking met andere West-Europese landen ongeveer hetzelfde uit per basisschoolleerling. Voor leerlingen in het voortgezet onderwijs geeft Nederland minder uit dan in ander West-Europese landen, met uitzondering van Groot-Brittannie. De onderwijskosten voor een Nederlandse student in het hoger onderwijs zijn daarentegen verhoudingsgewijs hoog. Dat komt onder meer doordat er geen scheiding is gemaakt tussen de kosten van onderwijs en onderzoek aan de universiteiten.

In de meeste OESO-landen hebben meer dan 70 procent van de 25-34 jarigen ten minste een middelbare-schooldiploma. Nederland zit met 72 procent bij de middenmoot, maar blijft achter bij landen als Duitsland en Groot-Brittannie.

Verder blijken de aanvangs- en maximumsalarissen van leraren in het primair en voorgezet onderwijs weinig te verschillen met die van de andere Europese landen. Wel blijft de salarisontwikkeling van de Nederlandse leerkracht in de eerste vijftien jaar achter bij Europese landen met een vergelijkbaar welvaartsniveau.