Martin Walser riep niet op tot verdringing

Het lijkt of Martin Walser bij de uitreiking van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel, vorige maand tijdens de Frankfurter Buchmesse, twee redevoeringen heeft gehouden: een die Ignatz Bubis gehoord heeft, en een die iemand als ik gelezen heeft.

Ik heb gelezen dat Walser zich hardop heeft bezonnen op de vraag hoe de herinnering aan wat hij “onze schande' noemt, kan worden behoed voor misbruik, voor gebruik als werktuig. Hoe wij, die met deze herinnering leven moeten, er ook mee leven kunnen; hoe wij die herinnering, in plaats van haar als bedreiging of gewelddadige dwang te ervaren, kunnen benutten om tot inzicht te komen. Hij heeft gesproken over de neiging om wat hij niet kan verdragen of veranderen, te verdringen. Hij heeft niet opgeroepen tot verdringen, maar tot een omgang met de geschiedenis die geen verdringing uitlokt en die het in herinnering roepen niet verlaagt tot geritualiseerde lippendienst.

Toen ik Walsers redevoering las, moest ik denken aan een andere redevoering van hem, uit 1988, waarin hij zich niet wenste neer te leggen bij de Duitse deling, en aandrong op een normale situatie die het hem mogelijk zou maken om evengoed in Dresden of Leipzig het theater te bezoeken als in Munchen of Hamburg.

Ik was hem toen dankbaar en ik bewonderde zijn moed - want moed had hij zoals de tomeloze aanvallen op hem aantoonden, werkelijk nodig gehad. Moed heeft hij ook deze keer nodig gehad.

Ik neem aan dat Walser zich sterker verbonden voelt met de natie dan ik; dat hangt geloof ik eerder samen met iemands streek van herkomst, met zijn levensloop en zijn aard dan met zijn politieke overtuiging. Maar staat een sterke verbondenheid met de natie, zolang deze verbondenheid niet geent is op een nationalistisch gevoelen, de herinnering aan de misdaden van het nationaal-socialisme werkelijk in de weg? Bubis laakt dat Walser spreekt van “onze schande' en niet van “misdaden'. Walser heeft die misdaden niet begaan, maar de schande die door deze misdaden over hem gekomen is aanvaardt hij wel, juist omdat hij zich sterker dan anderen met de natie verbonden voelt.

Ikzelf kan daarentegen denken noch voelen dat jonge Duitsers de schande van hun natie mee zouden moeten dragen. Voor mij zijn jonge Duitsers even weinig belast - en tegelijkertijd over alles waartoe de mens in staat is even dreigend vermaand - als jonge Denen en jonge Fransen. Ik kan Walsers behoefte om het huidige Duitsland als een gewone samenleving te zien, geen euveldaad vinden. Voor de andere volkeren zullen wij nog lange tijd geen gewoon land zijn, maar hoe kunnen wij hen van onze gewoonheid overtuigen, als wij onszelf het recht daarop ontzeggen?

Men behoeft Walsers opvattingen, gevoelens en conclusies niet te delen. Over iedere zin valt te discussieren. Maar hij moet mogen zeggen wat hij gezegd heeft, zonder voor brandstichter in spe of verkapte antisemiet te worden uitgemaakt. Niemand kan worden gedwongen zich iets te herinneren; men moet het zich willen herinneren. Walser heeft, om zo te zeggen in een experiment op zichzelf, getoond waardoor de bereidheid tot herinneren kan worden geblokkeerd.

Ik heb er begrip voor als dat de slachtoffers van de misdaden verontrust, maar zij staan nog maar zelden oog in oog met de daders - wel met de kinderen en kindskinderen van die daders, die zich voor hun doen en laten niet behoeven te schamen, en wier bereidheid om zich te herinneren niet onder verwijzing naar schuld kan worden geeist. Zij moeten willen begrijpen, want ook tot begrip kan niemand worden gedwongen.

Misschien heeft Walser voor het daadwerkelijke herinneren wel meer gedaan dan de hoeders van het taboe. Als deze redevoering voldoende is om zijn levenswerk te doen vergeten en zijn integriteit ter discussie te stellen; als Walsers redevoering, omdat daarin het taboe op bepaalde formuleringen genegeerd werd, ook in deze krant [die Zeit, red.] voor geen misverstand en geen demagogische interpretatie veilig is, dan was het voor het debat dat hij heeft ontketend, de hoogste tijd.

Walser bekende in Frankfurt dat hij beefde van stoutmoedigheid bij de uitspraak dat Auschwitz zich niet leent als routinedreigement. Ook ik beef een beetje, nu ik het voor hem opneem. Waarom? Waar leef ik, dat ik bang ben om te zeggen wat ik denk?

Die Zeit