Indonesisch geweld bedreigt eenheid

JAKARTA, 23 NOV. Het jongste geweld in Indonesie raakt diepe gevoeligheden in de samenleving: de smeulende tegenstellingen tussen geloof, ras en etniciteit.

Dikke zwarte rookwolken boven Glodok, de oude Chinese wijk van Jakarta, nerveuze helicopters boven de stad en troepenverplaatsingen lijken een alledaags gezicht te worden, nadat het gisteren weer kwam tot een geweldsuitbarsting in die buurt. Een week eerder was dezelfde wijk ook al het toneel van massale plundertochten, die uiteindelijk door ordetroepen in bedwang werden gebracht. Dat kostte toen acht mensen het leven. Bij het geweld gisteren werden ten minste 13 mensen gedood, terwijl zeker 16 anderen gewond raakten.

Het verschil met de ongeregeldheden van 14 november is echter dat het geweld gisteren niet gericht was tegen de gebruikelijke groep van etnische Chinezen, maar tegen Ambonezen, en dat het geweld behalve door etnische tegenstellingen geinspireerd lijkt door religieuze verschillen. Uiteindelijk gingen twee kerken in vlammen op, en werden negen andere kerken vernield. Een aanval op de kathedraal in het centrum van Jakarta kon net worden voorkomen door militairen, maar twee klaslokalen van de Ursula-school achter de kathedraal gingen in vlammen op. Nonnen werden door soldaten in allerijl in veiligheid gebracht.

Jakarta was vanochtend vervuld van afschuw toen de details bekend werden van de wijze waarop vijf Ambonezen om het leven kwamen: nadat zij door een menigte waren doodgestoken, werden de halfontklede lichamen gedurende lange tijd bewerkt met glas en messen. Van een slachtoffer werd een oor afgesneden, een ander lichaam werd op een karretje rondgereden. Vandaag was de toestand in de wijk nog steeds gespannen: groepen mensen hielden op straat auto's aan en vielen mensen lastig met een Moluks uiterlijk. In de buurt van een moskee schoolden grote groepen mannen samen, gewapend met messen, sikkels en andere scherpe voorwerpen.

Directe aanleiding voor het bloedbad gisteren was een gerucht dat Molukkers een moskee hadden aangevallen. Eerder waren er al spanningen tussen de van het eiland Ambon afkomstige uitbaters van een gokhal en moslims in de buurt. Zaterdag zouden de moslims hebben geeist dat er een eind kwam aan het gokken. De speelhal, gelegen naast een van de verbrande kerken, werd ook gebrandschat; uit de puinhopen werden vandaag zeven slachtoffers geborgen, onder wie twee Chinezen.

Tegenstellingen op het gebied van herkomst, geloof en ras vormen een voortdurende bron van onderliggende spanningen in het multi-culturele Indonesie, met zijn pakweg 300 verschillende etnische groepen en 500 talen en dialecten. Negentig procent van de bevolking geldt als moslim de overige 10 procent zijn christenen, hindoes, en boeddhisten.

Vorig jaar waren op Java soortgelijke gewelddadigheden te zien als gisteren in Jakarta, toen in steden als Rengasdenklok, Tasikmalaya en Situbondo een reeks anti-Chinese plundertochten werden ondernomen. Behalve etnische en religieuze spanningen speelt bij dat soort geweld vaak ook sociale afgunst een rol omdat Chinezen de naam hebben welvarender te zijn dan de gemiddelde Javaan. Maar begin vorig jaar was het ook onrustig in Oost-Kalimantan toen etnische en religieuze tegenstellingen tussen de lokale Dayak-bevolking en de via transmigratieprogramma's aangevoerde Madoerezen leiden tot massaal geweld.

De regering in Jakarta is niet ten onrechte beducht voor de desintegrerende krachten die los kunnen komen wanneer dit soort tegenstellingen op de spits worden gedreven. Van verschillende kanten is dan ook geprobeerd de moordpartij van gisteren te ontdoen van zijn 'explosieve' karakter': media meldden dat geloof geen rol speelt bij de ongeregeldheden, maar dat onenigheid over het uitbaten van een parkeerterrein de oorzaak van de tweedracht was.

En president Habibie verklaarde vandaag dat het geweld niet spontaan van karakter was maar was aangesticht door een mysterieuze 'derde' partij. Gisterenavond hadden ook al oppositieleiders Abdurrahman Wahid, van de islamitische miljoenenorganisatie Nahdlatul Ulama, en Megawati Soekarnoputri voorzitter van de PDI, verklaard dat de religieuze tegenstellingen tussen Ambonezen en Jakartanen slechts een voorwendsel waren die door “zekere partijen' gebruikt werden om chaos te veroorzaken.

Terwijl over identiteit en motieven van dergelijke spelers achter de schermen slechts gespeculeerd kan worden, is in ieder geval duidelijk dat de strijdkrachten nauwelijks bij machte zijn deze gewelduitbarstingen in te tomen.