Het 'isme' van D66

EINDELIJK MAG HARDOP worden uitgesproken waarvoor D66 staat. Sinds afgelopen zaterdag beschikken de Democraten over een heuse ondertitel: sociaal-liberaal. Pijnlijker had het congres van D66 het afscheid van oprichter en boegbeeld Hans van Mierlo nauwelijks kunnen markeren. Ruim dertig jaar lang heeft hij zich met succes weten te verzetten tegen telkens terugkerende pogingen de partij van een ideologisch stempel te voorzien. Het specifiek omschrijven van de partij was niet nodig, want D66 bestond al, zei hij tegen degenen die vroegen om een beginsel. Maar op het eerste congres sinds 1986 waar Van Mierlo niet meer als partijleider aanwezig was, ging het roer om. De slechte verkiezingsresultaten van dit jaar en de peilingen die slechts op een verdere achteruitgang wijzen, hebben de D66-achterban rijp gemaakt voor drastische maatregelen.

HET OMSCHRIJVEN VAN D66 als een sociaal-liberale partij heeft op het eerste gezicht niet meer dan symbolische betekenis. De initiatiefnemers verenigd in de groep Opschudding, hebben dit ook met zoveel woorden erkend. Het toevoegen van de aanduiding sociaal-liberaal hield volgens hen geen wijziging van de ondogmatische politieke koers in. De nadere omschrijving was slechts bedoeld om D66 duidelijker te plaatsen in het politieke spectrum. Toch is er wel degelijk sprake van verschillende denkwerelden tussen de 'oude D66'ers' en de jongeren die zich nu zo nadrukkelijk hebben gemanifesteerd. Waar Van Mierlo het pragmatisme als leidend beginsel uitdroeg, vragen de mensen van Opschudding om “politieke identiteit en kernwaarden'. Van Mierlo beschouwde de houding en de redenering ten opzichte van standpunten als het bindmiddel van de partij. Met hun pleidooi voor het benoemen van het D66-gedachtegoed draaien de jongeren het juist om.

Veel belangrijker dan het toevoegen van de ondertitel is waar deze 'postnatale ideologisering' van D66 uiteindelijk toe leidt. Het hoofdbestuur van de Democraten heeft van het congres de opdracht gekregen iets van een beginselprogramma te formuleren. Hiermee staat tevens het fundament van D66 ter discussie. Want was het wezenskenmerk van de Democraten nu niet juist dat de partij geen starre ideologie of dwingende uitgangspunten kende? Een belangrijke vraag is dan ook wat voor uitwerking deze discussie zal hebben op de interne verhoudingen binnen de partij. Voor de betrokkenen is het geruststellend dat D66 zich door de jaren heen altijd meer heeft laten kennen als een gezelligheidsvereniging dan als een politieke strijdorganisatie. Maar in de aard van het debat kan door de omstandigheden verandering komen, mocht bijvoorbeeld over drie maanden bij de Statenverkiezingen blijken dat weer veel kiezers afscheid hebben genomen van D66.

NEDERLAND HEEFT SINDS zaterdag behalve een sociaal-liberaal kabinet nu dus ook een sociaal-liberale partij. Het zou een logisch voortvloeisel uit de in 1994 begonnen paarse coalitie moeten zijn. Toch handelde de kiezer dit jaar anders door op een van de polen te stemmen - of sociaal of liberaal - en het samenbindende D66 met een fors verlies op te zadelen. Daarmee sprak de kiezer zich uit voor sociaal-liberaal als resultante niet als vertrekpunt. D66 blijft de partij die pas in zicht komt als de andere partijen het in de ogen van de kiezer laten afweten. Het aanmeten van een eigen identiteit is een voor de hand liggende reactie om van het imago van 'vluchtheuvel-partij' af te komen. Behalve als de enige identiteit het niet hebben van een identiteit is. Van Mierlo zou het ongetwijfeld een paradox noemen. Maar zijn rol is uitgespeeld. Dat is afgelopen zaterdag wel duidelijk geworden.