Haitink en Jansons dirigeren de Wiener in het Concertgebouw

Concert: Wiener Philharmoniker o.l.v. Bernard Haitink. Gehoord: 21/11 Concertgebouw Amsterdam. Radio: 3/1 14 uur Radio 4. Concert: Wiener Philharmoniker o.l.v. Mariss Jansons. 22/11 Concertgebouw Amsterdam.

De Wiener Philharmoniker, wereldberoemd van het Weense Nieuwjaarsconcert en uitsluitend spelend onder zelfgekozen gastdirigenten, traden het afgelopen weekeinde twee keer op in het Amsterdamse Concertgebouw. Zaterdagavond dirigeerde Bernard Haitink - het was zijn tweede optreden in zijn Carte Blanche-serie - en zondagavond dirigeerde Mariss Jansons een concert in de serie 'Wereldberoemde symfonieorkesten'. Op het programma stond vrijwel uitsluitend laat-19de eeuwse muziek van Bruckner Strauss en Dvorak.

Wie zaterdagavond na afloop van Haitinks langdurig toegejuichte concert met een uitvoering van Bruckners Achtste symfonie zag hoe hartelijk Jansons en Haitink elkaar in de dirigentenkamer omhelsden, moest wel denken dat Jansons door Haitink was uitgenodigd voor een optreden in zijn serie. Hij zet die in februari voort met een concert van de Staatskapelle Dresden.

Het was in het Amsterdamse Concertgebouw niet alleen het weekeinde van de Wiener Philharmoniker maar tevens het weekeinde van de dirigenten. Haitink en Jansons woonden elkaars concerten bij. Ook Michael Tilson Thomas, die drie concerten bij het Koninklijk Concertgebouworkest leidde, kwam naar Haitink luisteren. En Jaap van Zweden en Viktor Liberman, de voormalige concertmeesters van het Concertgebouworkest die nu beide dirigent zijn, stelden zich eveneens op de hoogte van wat er op hun voormalige podium werd verricht.

Dirigenten die zelf niet op het podium staan, kunnen bij het horen van muziek het dirigeren niet laten, zo zag ik. Zaterdagavond zat Tilson Thomas naast mij aan de andere kant van het gangpad en hij gebaarde - op voor hem uiterst bescheiden wijze - achter de balustrade van het balkon af en toe met Haitink mee. Haitink zelf kwam, toen hij zondagavond op dezelfde stoel zat, tijdens Jansons' concert gedurig met zijn linkerhand in actie.

Ook voor het Koninklijk Concertgebouworkest was deze Amsterdamse dirigentenmeeting van belang: directeur Jan Willem Loot wist Haitink en Jansons te interesseren voor toekomstige optredens in Amsterdam. Haitink hoopt nog steeds zijn ontslagbrief als muzikaal directeur van het Londense operahuis Covent Garden te kunnen intrekken. Hij ziet na een bezoek aan de Britse cultuurminister Chris Smith in ieder geval enkele hoopvolle ontwikkelingen in de regeringsplannen voor subsidiering op langere termijn.

De laatste vier van de 23 uitvoeringen van Bruckners Achtste symfonie die Haitink bij het Concertgebouworkest in Amsterdam leidde, vonden drie jaar geleden plaats. In hetzelfde jaar zette hij het werk met de Wiener Philharmoniker op de cd en deze uitvoering was grosso modo een herhaling van die interpretatie al veroorzaakt het bijwonen van zo'n live-uitvoering veel meer opwinding. Alleen al dat overweldigende begin van Bruckners Achtste: na een zacht begin met zeer verre hoorns rolt en golft de muziek onweerstaanbaar de zaal in. Mij doet het altijd denken aan de onstuitbare deining in Der fliegende Hollander van Wagner - Bruckners diep vereerde idool.

De Wiener leken in het eerste deel Allegro moderato nog niet altijd op dreef - de kleuren waren wat flets, inzetten niet altijd perfect gelijk en de balans was op de ruigere momenten wat rommelig. Maar Bernard Haitink toonde zich temidden van de afwisselend aanstormende en afebbende branding vooral de meester van het 'dode tij' - de passages waarin hij de muziek vrijwel volledig tot stilstand laat komen en hij een tijdloze onheilspellende spanning weet te creeren.

Maar ook in de mooi opgebouwde climaxen is Haitink superieur: op het hoogtepunt klinken die - mede dankzij Haitinks stimulerende gebaar - extra stralend en triomfantelijk. Die spannende en dramatische passages werden nog eens visueel onderstreept door concertmeester Werner Hink, die op zulke momenten van zijn stoel loskomt in een opwaartse beweging naar de dirigent.

Het Scherzo bewoog zich tussen flinterdun en stevig aangezet of - om het op zijn laat-19de eeuws te zeggen - tussen eierschaalporselein en gietijzer. En in het Adagio kwamen Haitink en de Wiener tot geserreerde duiding van het Mahleriaanse en Straussiaanse thema van 'Tod und Verklarung': de zware aardse passages blijken ineens een keerzijde te hebben van onwerkelijke hemelse lichtheid, eindigend in - opnieuw - dat dode tij van totale verstilling.

De Finale klonk daarna extra onstuimig, uitgelaten en luchthartig, bekroond door een majestueus slot. Oneerbiedig gezegd was het lekker langdurig heel veel duur lawaai - de kaarten voor beide concerten kostten 250 en 150 gulden. In gebruikelijker termen was het slot van Haitinks concert imposant formidabel en magistraal.

Na deze destijds in Wenen zo omstreden Bruckner uit 1890 bracht het concert van Jansons gisteravond destijds conventioneler repertoire: Also sprach Zarathustra (1896) van Richard Strauss - naar het boek van Nietzsche - en de Achtste symfonie (1889) van Anton Dvorak. Opvallend was dat Jansons in de befaamde opening van Also sprach Zarathustra - onder andere bekend van Stanley Kubricks film 2001: a Space Odyssey en wasmiddelenreclames - geen gebruik maakte van het gerestaureerde Van Maarschalkerweerd-orgel in het Concertgebouw, maar van een elektronisch Yamaha-orgel. Met twee vrij kleine luidsprekers produceerde het een volumineuzere klank dan kennelijk mogelijk is met het reusachtige podiuminstrument.

Jansons wijdse en spectaculair stralende opening - goed opgebouwd maar minder strak dan zijn leermeester Karajan dat deed met diens Berliner - werd gevolgd door een uitvoering waarin de Wiener hun reputatie als het beste Strauss-orkest ter wereld volledig waarmaakten. Het verleidelijke 'wienerische' beheerste zowel de kamermuzikale gedeelten als de soms nu sterk verdichte symfonische delen met heerlijke zwier en glinstering. Concertmeester Werner Hink glorieerde in zijn soli, even glanzend als de zwarte lakschoenen van de Wiener.

De opening van dit concert - een Boheems klinkende ouverture Oberon van Weber - bleek het fundament voor een fenomenale uitvoering van de Achtste symfonie van Dvorak - slavische exotiek die in Wenen om de hoek ligt.

Jansons is de grote meester van dit repertoire, zo bleek al eerder uit zijn geheel als nieuw klinkende uitvoering van Dvoraks overbekende Negende bij het Concertgebouworkest. Zo inmiddels legendarisch uitzonderlijk klonk deze Achtste net niet. Maar Jansons weet dit soort muziek op een intense wijze en met veel relief te brengen tot een staat van verrukkende genade - zonder een zweem van banaliteit, al haalde hij het maximale uit het hoempa-achtige slot.

Als toegiften klonken nog een Slavische dans van Dvorak en Unter Donner und Blitz van Johann Strauss jr - beide onbekommerd en meeslepend enthousiast gespeeld als liefhebberswerk van een reuzen-zigeunerorkest. Het was, vooral in de Strauss, alsof de Wiener vast repeteerden voor hun komende Nieuwjaarsconcert.