Die debiele jachttrompetjes

Je leest er af en toe over, de televisie laat wel eens wat zien, maar om midden in een Engelse vossenjacht te zitten is toch anders. Het begon op afstand: een kilometer of honderd ten westen van Londen zagen we vanaf een hoog punt hoe in de diepte een carrevormig bosperceel werd klemgereden door mensen in rare rode pakken op paarden, terwijl tientallen onaangelijnde honden zich door de begroeiing verspreidden, met de neuzen bij de grond en keffend alsof hun leven er vanaf hing.

De vos om wiens leven het ging, hield zich stil en ongezien. Zijn geur was stellig verwaaid tussen de lage bomen en het hoge gras in het terrein onder ons uitzichtpunt, want de honden volgden veel meer sporen dan de vos getrokken kon hebben. Of misschien was het een slipjacht en had de spooruitzettende partij het wat overdreven. Vanaf de hoekpunten en elders keken de ruiters intussen of hun echte of denkbeeldige prooi niet ontsnapte naar de open velden rondom.

Daar wachtten we niet op. De middag vorderde en naar onze B&B was het nog twee uur lopen. Spoedig waren het gekef en gejank niet meer te horen, de debiele jachttrompetjes ook niet, en we waren weer in de greep van het ruisen van de wind, helder herfstweer en de golvende heuvels van Wiltshire.

We liepen over een stuk grasland met vrij uitzicht naar alle kanten toen een idioot hard rennende, verrassend grote vos vanuit het niets van links opdook, dertig meter voor ons. Hij nam een hekje, stoof een versgeploegde akker in en rende parallel aan het hek onze kant op. Zolang hadden we nodig om te beseffen dat het niet om een vos ging, maar om de vos.

Tien meter van ons vandaan bleef hij stilstaan aan de rand van wat een oude bominslagkrater zou kunnen zijn, keek vijf tellen naar alle kanten, en verdween tussen de braamstruiken de kuil in. De bloedlustig blaffende meute was op dat moment al goed te horen, en een halve minuut nadat hun eenzame tegenstander was ondergedoken denderden ze voorbij exact over zijn of haar spoor, raakten het bijster, keerden om, en splitsten in drie of vier groepen waarvan er een de kuil in dook.

Zelden heb ik iemand zo kwaad gezien - en dat zegt wat - als de boer die op dat moment het toneel betrad, of beter: werd opgereden, half hangend uit een zeker zestig rijdende Landrover Defender die door een ander bestuurd werd.

In het Wiltshires - of wat het ook was - brulde hij de meest extreme instructies naar de ruiters in hun rooie pakken die nu zonder het te weten in de directe nabijheid van de vos waren gekomen. De honden in de kuil keften om het hardst, maar nergens was iets te zien.

Even leek de man deel uit te maken van de jacht. Misschien riep hij dat de vos vlakbij moest zijn of dat de soep koud stond te worden. Dat vermoeden verdween enigszins toen hij foto's begon te maken van de ruiters, en helemaal toen we gezelschap kregen van de boerin en haar zoontje van een jaar of tien, die achter het voertuig waren aangelopen. Ze vertelde dat dit niet voor het eerst was, een vossenjacht in dit beschermde natuurgebied, en dat de politie al gebeld was. “It's cruel isn't it', zei de jongen tegen ons. “Are you French or German?'

Totale onwetendheid over de riten van de Engelse vossenjacht deed even vrezen dat het gesprek toch deel was van de tactiek: dat de boeren korting kregen op hun pacht door te spioneren bij partijen die meer wisten, en vervolgens vosonvriendelijke tips te geven aan hun jagende landheren. Toch vertelden we het maar: de vos zat nauwelijks tien meter verder, mogelijk onder de plek waar we stonden. “Don't tell anyone.'

De boerin leek opgelucht: “Oh good! It has grounded.'

Twee honden draaiden nog rondjes door de kuil, dol van opwinding maar zonder bijval van andere keffers, terwijl de gekostumeerde ruiters zich honderd meter verder hergroepeerden, alle honden bij elkaar trompetterden en afdropen. En de boer, hij fotografeerde voort.