De wereld die u was

Soms zit het huis zo prettig om je heen. De dingen glanzen stil in het lamplicht, allemaal vertrouwd, allemaal geliefd, de boeken staan tevreden in de kasten, het mag altijd zo blijven. Het is als in Herman Gorters gedicht: “Ik ben alleen in het lamplicht,/ de dingen kijken met een glad gezicht, / om me in 't licht.' Maar waar gaan al die dingen heen, straks. Er komt een dag dat ze verweesd in de kamer staan, veranderen in op te ruimen rotzooi, dat heel die glans, het verband waarin ze bestonden verdwenen zal zijn. “En een verleden komt me aan de ooren/ die stil opkijken en die stil ophooren,/ dingen verloren.'

En de boeken. In jaren verzameld, schrijvers compleet, eerste drukken zo goed mogelijk uit het zonlicht gehouden, opdrachtexemplaren naast leesexemplaren, bibliofiele drukjes - ach, zo heel bijzonder is het allemaal niet, maar hier en daar ook weer wel, en bovendien een bibliotheek gaat op den duur zijn eigenaar passen als een schoen, en er precies even karakteristiek en onverwisselbaar uitzien. Daarom wil denkelijk niemand hem ook in zijn geheel hebben als de eigenaar eruit weg is.

Onlangs kreeg ik de catalogus Celtic Language & literature and Arthurian Literature van Antiquariaat Schumacher onder ogen. Als ondertitel heeft die catalogus: 'mainly from the library of Maartje Draak'. Maartje Draak, de grote keltologe die drie jaar geleden overleed was een zeer intelligente, aanstekelijke wetenschapper en een hartstochtelijke en kritische lezer. Van dat laatste draagt haar bibliotheek de sporen, talloze boeken zijn door haar geannoteerd. “Ze tonen de ontwikkeling van een kritische en zeer intelligente geest' schrijft Wilma Schumacher in een kort voorwoordje bij de catalogus, “om die reden hadden we graag gewild dat haar boeken bij elkaar gebleven zouden zijn als een monument, en als een mogelijkheid om de talentvolle werkwijze van een van onze uitzonderlijkste wetenschappers te bestuderen.'

Maar ze blijven niet bij elkaar, die boeken. Ze schikken zich in een catalogus tussen vele andere die enigszins met ze te maken hebben sommige zullen misschien met een groepje naar een ander bibliotheek verhuizen, andere gaan alleen verder. Ineens doemt een wereld vol reizende boeken op, boeken die bibliotheken in- en uittrekken, die zich steeds weer tijdelijk aan iemand toevertrouwen en zich dan weer verplaatsen.

Ze eindigen vermoedelijk, als ze steeds maar weer de moeite waard worden geacht, in magazijnen met klimaatbeheersing, onbenaderbaar voor onbevoegden, zelden aangeraakt. En de andere gaan geleidelijk verloren die staan op een dag in een kartonnen doos op de stoep in de regen, worden aan stukken getrokken door een peuter of storten in de papierpletterij (over dat laatste leven van boeken, en over hun eenzame pletter heeft Bohumil Hrabal in zijn Al te luide eenzaamheid zo schitterend geschreven stapels boeken die worden samengepakt tot balen geperst papier).

Is dat erg? Ja, altijd, want wat verloren gaat komt nooit meer terug om eens iets pleonastisch te zeggen. Maar het is zoals het gaat, er moet nu eenmaal van alles verdwijnen, dat begrijpen we ook wel. Een enkele keer is het meer dan gewoon jammer. De Ritman-bibliotheek bijvoorbeeld, die moet toch maar liever bij elkaar blijven want die vertegenwoordigt als geheel veel meer dan de som van de afzonderlijke boeken. Compleetheid of juist rare zijsprongen, onverwachte stapelingen van nieuwsgierigheid, dat soort dingen maken een bibliotheek opwindend. De bibliotheek van Maartje Draak bevat zulke zijsprongen in de vorm van een uitgebreide sprookjesverzameling, een hartstocht voor science fiction, en door hetzelfde kritische oog gelezen detectives. Het zou toch mooi geweest zijn als haar geest, zoals vertegenwoordigd door haar boeken, nog een poosje in leven gehouden had kunnen worden. Dood is dan wat minder dood.

De boeken wegdoen die iemands leven en denken uitmaakten is een vorm van verraad aan dat leven en denken. Al zit er nu eenmaal vaak niets anders op. In de Schumacher-catalogus is in ieder geval de hele vakbibliotheek van Draak opgenomen, misschien blijft die dan nog, enigszins, bij elkaar.

Het is natuurlijk weinig onthecht, om zo over spullen en boeken in te zitten. In het hoofd klinken meteen alweer vermaningen van de soort die zegt dat als het oorlog wordt, je blij zal zijn om eenvoudig het leven te houden, kijk naar al die vluchtelingen met hun paar schamele tassen die dankbaar zijn voor een kamer met een bed - maar dat is nu juist zo erg. Dat zij precies zo 's avonds thuis zaten en blij terugglimlachten naar hun huis met zijn lieve spullen en dat ze nu met alleen maar een tas met een trui, een tandenborstel en een paar foto's erin, in een bos zitten. Alles wat mooi is, bestaat toch dankzij aandacht en zorg. Alleen maar omdat er eeuwen geleden ook mensen waren die een boek liever niet verloren zagen gaan, hebben we nog een paar schitterend geillustreerde middeleeuwse handschriften, zo zorgzaam gemaakt dat de tranen je in de ogen schieten als je ze ziet. Niet alleen om de zorg waarmee ze gemaakt zijn, maar ook om de zorg waarmee ze bewaard zijn. Dat ze nog bestaan.

Wat zou er eigenlijk gebeurd zijn met de bibliotheek van Jorge Luis Borges, de schrijver die wel uit bibliotheken leek te bestaan? Door zijn vroege blindheid heeft hij er bij leven al afstand van moeten doen, niet letterlijk want zijn boeken bleven bij hem thuis maar hij kon ze niet meer zien of lezen. Alleen nog in handen houden en hun vertrouwde ruggen met de moeten van hun bandstempels voelen, of de geur van hun papier opsnuiven. Hij schreef twee gedichten met als titel On his blindness, waarin hij, zonder klacht maar wel met pijn, schrijft over alles wat hem ontvallen is doordat hij het niet meer ziet. “Graag zou ik nog eens een gezicht zien.' Het zijn indrukwekkende en, juist door hun beheerstheid, aangrijpende gedichten over de 'dichte lichte mist' die hem omgeeft, over de verdwenen kleuren, over het hem nu onbekend geworden 'genot van boeken'.

In een prozagedicht, Bezit van het voorbije, laat hij zien welke houding hij gevonden heeft om te leven met alles wat verdwenen is. “Ik weet dat ik zoveel dingen heb verloren dat ik ze niet zou kunnen tellen, maar ook dat al wat ik verloor nu het mijne is.' En dan geeft hij voorbeelden, hoe hij denkt aan het geel en het zwart 'zoals zij die zien er niet aan denken', hoe de doden hem nabijer zijn dan ze waren toen ze nog leefden, hoe Troje verwoest werd maar voortbestaat in Homerus' hexameters en hij eindigt met: “Er zijn geen andere paradijzen dan de verloren paradijzen.'

Het is een oplossing, een elegante oplossing gemaakt van woorden, voor iets waar toch niets aan te doen is. Maar zolang er wel iets aan te doen is, zolang de dingen nog niet verloren zijn, zolang de boeken nog bij ons en bij elkaar horen, zolang moet dat maar zo lang mogelijk zo blijven. Elk mens is een wereld, maar elke biliotheek ook. Vele werelden zelfs en tegelijk een.

Dag Maartje Draak, daar gaat de wereld die u was. Een verloren paradijs.