Celloconcert van Herbert sprankelt

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Lawrence Renes m.m.v. Marien van Staalen (cello). Programma: Beethoven: Ouverture Leonore I; Herbert: Celloconcert nr. 2 op. 30; Brahms: Symfonie nr.1 op. 68. Gehoord: 21/11 Dr. Anton Philipszaal Den Haag.

Het verschil tussen vakkundige toonzetters en topcomponisten openbaart zich soms al in de scrupules die zij aan de dag leggen jegens de meesters die hen voorgingen. Brahms sleutelde ruim twintig jaar aan zijn monumentale Eerste symfonie (1876) uit angst als een tweede Beethoven te worden geboekstaafd. Een mindere god als Victor Herbert laat in zijn Tweede celloconcert (1894) onversaagd het ene prachtthema in het volgende overlopen en verwijst daarbij en passant naar Elgar en Dvorak zonder een moment voor epigonisme te vrezen.

Herberts werk moest overigens wel ruim honderd jaar wachten voordat het afgelopen zaterdag voor het eerst in Nederland werd uitgevoerd door het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Lawrence Renes.

Victor Herbert (1859-1924) was naast een gevierd operettecomponist ook cellist en beide achtergronden klinken door in dit Tweede celloconcert. De solopartij is met idiomatische kundigheid in of op de orkestrale begeleiding geweven en het zwierige hoofdthema van het tweede deel verraadt het brein van een man met neus voor theater en hitpotentieel.

Na een respectabel aantal operaprodukties is Lawrence Renes hoorbaar bedreven geraakt in het uitspelen van dramatiek. Waar de cello boven het orkest uit diende te zingen toomde hij het Rotterdams Philharmonisch Orkest in tot beschaafde achtergrond-proporties; waar cello en orkest in zwelgende tweespraak tegen elkaar konden worden uitgespeeld, liet hij de muziek gepast schmieren.

Op die momenten verloor ook solist Marien van Staalen, de solocellist van het orkest dat hem nu begeleidde de ingetogenheid die hem in het eerste deel opbrak. Zowel de virtuoze als lyrische passages in het tweede en derde deel speelde hij met sprankelend en aansprekend gemak.

De Eerste symfonie van Johannes Brahms (1876) is beduidend kwetsbaarder dan Herberts stormvaste showstuk en leent zich in zijn diversiteit goed als een soort meesterproef voor dirigenten.

Lawrence Renes had zich terdege voorbereid. Partituur en baton had hij niet ten onrechte thuis gelaten, want uit zijn aanpak bleek een duidelijke visie op de structuur van het werk. Overgangen tussen dramatiek en lyriek klonken met een aangename vertraging, tegenstemmetjes werden niet door de hoofdlijn overstemd.

En in effecten als de prachtig pulserende aanzet naar het slot van het werk, bleek dat Renes deze Brahms op originele wijze doorziet.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest had in Brahms en de als opwarmer gespeelde ouverture Leonore I wat meer Victor Herbert-schmalz mogen loslaten. Het geheel klonk nu welluidend en elegant maar miste de dramatische impact die ook in deze meesterwerken sluimeren.