Vriendschap en folklore in Comitas' muziek

In juni 1933 was het definitieve manuscript van Vestdijks Kind tussen vier vrouwen gereed, 1119 pagina's waar aanvankelijk geen uitgever iets in zag. Het bevat niet alleen de handschriften van Vestdijk, maar ook van Vestdijks moeder en van een inwonend neefje, en daarmee is de sterk autobiografische inslag geschetst.

Alexander Comitas, pseudoniem van Ed de Boer, had geen moeite zijn eveneens sterk autobiografische Strijksextet opus 33 onder te brengen. Het Reizend Muziekgezelschap wilde maar al te graag een werk van deze componist, wiens sterk traditionele schrijfwijze goed aansluit bij de programmering van het ensemble van violist Christiaan Bor.

Het eerste deel van het sextet reflecteert, net als Vestdijks Terug tot Ina Damman, Comitas' middelbare schooltijd, deel twee zijn studententijd, deel drie is een elegie gewijd aan zijn vriendschap met pianist/componist Ernst Alexander (Sas) Bunge en het vierde deel is een hommage aan de Armeen Ssogomonjan Ssogomon Geworkowitsj Comitas (1869 Kutina - 1935 Parijs). Ed de Boer verwerkte de namen van twee laatstgenoemden in zijn pseudoniem.

In Sowjetische Musik im Licht der Perestroika worden de liederen van Comitas met de aquarellen van Ciurlionis met onder meer de symfonieen van Kantsjeli als exemplarisch genoemd voor de kunstenaar met een missie op zoek naar eeuwige waarden. Comitas was bijzonder veelzijdig als componist, etnomusicoloog, koorleider, zanger, pianist en organist. Zijn belangrijkste liederenverzameling dateert uit 1904; hij hield talrijke referaten ook in West-Europa. Met de lokale geestelijkheid raakte hij in conflict en de Turkse vervolging van Armeniers tijdens de Eerste Wereldoorlog was hem zo ondraaglijk dat dit leidde tot ongeneeslijke geestesziekte.

Iets van zijn zendingsdrang en romantische bevlogenheid komt zeker over in het vierde deel, waarin het strijksextet culmineert. Dit is gloedvol betogende muziek, folkloristisch gekleurd eerst Armeens, later Georgisch, stevig aangezet, verkapt symfonisch van aard.

Ook het Scherzo heeft vaart en is onstuimig direct van toon zonder contrasten. Problematischer zijn de delen een en drie. De Ouverture begint met een pittig pizzicato overgaand in bruisende romantiek. Later zal dit getokkel als een stoorzender werken: inleiding voor wrange harmonie vol buitenmuzikale associaties, wat mij te filmisch werkt. De Elegie, Bunge in memoriam, met een citaat uit diens Ballade des Pendus is wijdlopig en tegen het larmoyante aan. In de overmoedige aspecten biedt het sextet pakkende en dankbaar geschreven muziek, in de langzame delen mis ik een herkenbaar eigen stijl.

De uitvoering had veel Schwung, was rijk aan vibrato en hield niets achter. De componist toonde zich zeer tevreden. Minder te spreken kon men zijn over de vertolking van het voorgaande Pianosextet in D van Mendelssohn, op vijftienjarige leeftijd gschreven en door hemzelf veronachtzaamd. Pas na zijn dood verscheen het als Opus 110. Deze muziek kan beslist slanker klinken, ik miste de doorzichtige elegantie van het fortepiano uit die dagen, de moderne vleugel gedroeg zich veel te veel als een brutaal bakbeest.

    • Ernst Vermeulen