Violent Cop

Van speelfilmdebuten in het algemeen kun je een zekere onstuimigheid verwachten. En zeker van dat van Takeshi Kitano (1947) de multifunctionele entertainer uit Japan (hij is behalve filmacteur en -regisseur, columnist en schilder ook nog een razendpopulaire tv-persoonlijkheid). Toch blijkt Kitano met Violent Cop een uiterst beheersd visitekaartje te hebben afgeleverd, dat inhoudelijk en stilistisch grote overeenkomsten vertoont met de films waarmee hij later, ook in Nederland, wereldberoemd zou worden: Sonatine (1993) en het vorig jaar in Venetie met een Gouden Leeuw bekroonde Hana-Bi.

In het nihilistische wereldbeeld van Kitano maakt het niet uit aan welke kant van de wet je staat. De yakuza-onderbaas die hij in Sonatine gestalte gaf, zou een bloedverwant kunnen zijn van de titelheld die hij in Violent Cop speelt: een ouwe rot die zijn boekje ver te buiten gaat in zijn afrekening met een, tot onder zijn eigen collega's vertakt drugs-syndicaat. Beide mannen vertonen een uiterlijke onbewogenheid die keurig in de pas loopt met de ontspannen verteltrant van hun films. Beiden ook hebben genoeg van het vreugdeloze aardse bestaan en berusten in hun naderende ondergang. Berusting is misschien te zwak uitgedrukt. Ze verlangen bijkans naar het moment waarop zij definitief de ogen kunnen sluiten voor alle aardse verdorvenheid.

De ruimschoots aanwezige gewelddadigheid wordt in Violent Cop, net als in Kitano's latere werk allerminst spectaculair, eerder zakelijk opgediend. Briljant van onderkoelde vorm is de finale shoot-out, waarin de 'held' en de 'schurk' elkaar lange tijd recht in de ogen kijken. Geen enkele hoofdpersoon haalt het eind van de film. Maar misdaad en corruptie zijn onuitroeibaar. De opvolgers van de overleden protagonisten hebben hun positie al ingenomen. De wereld valt niet te verbeteren. En Kitano heeft geleerd daar heel stoicijns onder te blijven.