Te abstracte gedachten over techniek

Filosofie, Tweemaandelijks tijdschrift van de Stichting Informatie Filosofie. Jaargang 8, nr. 5, oktober/november 1988. Speciaal nummer: Techniekfilosofie. Uitgever Damon, Best. Prijs f12,-. Los verkrijgbaar bij het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs, tel. 070-3919900.

DE WIJSBEGEERTE van de tweede helft van deze eeuw wordt gekenmerkt door de zogenoemde 'linguistic turn', de wending naar de taalanalyse. Zonder woorden valt de werkelijkheid niet te denken. En die woorden zijn volgens de huidige taalfilosofie niet zozeer een spiegel van de werkelijkheid als wel een constructie ervan. Via de talloze mogelijkheden die de taal ons biedt, creeren wij even zovele werkelijkheden. Ook de veelheid aan symbolisch bemiddelde cultuuruitingen die de mensheid kenmerkt, wordt op deze wijze uit de taalanalyse begrepen.

Tegelijkertijd is de tweede eeuwhelft het tijdperk van de techniek. Wij leven in een technologische cultuur, waarin elke stap die wij doen elke handeling die wij verrichten door technische instrumenten en apparaten wordt gestuurd en begeleid. De moderne westerse mens wordt wel via de cyborg-metafoor beschreven. Net als de cyborg, het uit de science fiction bekende wezen dat deels mens, deels machine is, gaat hij gekoppeld aan apparaten door het leven.

Terwijl het dagelijks leven van de westerse mens voor een steeds groter deel door techniek werd beheerst concentreerde de filosofie zich steeds meer op de taal. Waarom interesseerde de wijsbegeerte zich niet voor een van de meest opvallende fenomenen van onze eeuw? Waarom is er niet een rijke techniekfilosofie die qua omvang en belang met de taalfilosofie kan wedijveren? De Belgische filosoof Gilbert Hottois heeft een uitdagende hypothese ontwikkeld om deze op het eerste gezicht vreemde ontwikkelingsgang van de wijsbegeerte te verklaren. Volgens hem voelt de filosofie zich bedreigd door de techniek die haar als koningin van de wetenschappen dreigt te onttronen. Juist om aan de confrontatie met de techniek te ontsnappen poneert de hedendaagse wijsbegeerte dat de hele werkelijkheid 'talig' is, uiteindelijk uit taaluitingen wordt geconstrueerd.

En als het haar niet lukt om de techniek op deze wijze te situeren, wijst zij haar af in naam van de traditionele cultuur. Zij zou onmenselijk zijn, de ware humaniteit en cultuur bedreigen.

Met zijn oproep om eindelijk als filosoof de techniek serieus te nemen, is Hottois niet helemaal een roepende in de woestijn. Steeds zijn er deze eeuw dwarsliggers geweest die uit de wijsbegeerte de confrontatie met de techniek aangingen. En voortbouwend op hun pionierswerk wordt er tegenwoordig aan de universiteiten van Delft en Twente een heuse techniekfilosofie ontwikkeld. In Delft sluit men hierin nauw bij de technische ontwerppraktijken aan, in Twente staat de bestudering van de technologische cultuur centraal. Naast deze universitaire onderzoeksinspanningen bestaat er al enige jaren een bloeiende afdeling techniekfilosofie van het KIVI, het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs. Niet alleen organiseert deze afdeling elk jaar een goed bezochte leergang, ook heeft zij een eigen rubriek in het tijdschrift 'Filosofie'. Het laatste nummer van dit tijdschrift 'voor algemeen toegankelijke wijsbegeerte' is zelfs grotendeels gewijd aan het thema 'techniekfilosofie'.

In zekere zin kan dit nummer worden beschouwd als een vervolg op een eerder nummer van het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte, het vaderlandse filosofische vaktijdschrift. Dit laatste nummer had als thema 'Nederlandse filosofen over techniek'. Hierin werd al een korte notitie opgenoemd over de techniekfilosofen Tellegen, Van Melsen en Kwee San Liat. Deze worden in 'Filosofie' nu uitvoerig geportretteerd. Daarnaast bevat het nummer twee bijdragen over de Duits-joodse cultuurfilosoof Ernst Cassirer en een vertaald artikel van de Italiaanse filosoof Possenti over het techne-begrip in de klassiek Griekse en moderne wijsbegeerte.

In zijn inleiding betoogt Hans Haaksma, een van de voortrekkers van de KIVI-afdeling, dat we alleen een zelfstandige discipline van de filosofie van de techniek kunnen ontwikkelen als we voortbouwen op het werk van de eerste pioniers. Zo moet een gemeenschappelijke canon ontstaan waar de beoefenaars van de techniekfilosofie op kunnen terugvallen.

Hoe waar deze woorden ook mogen zijn, dit nummer van Filosofie zal helaas het ontstaan van deze canon niet bevorderen. Daarvoor zijn de behandelde denkers, met alle respect voor hun pioniersarbeid, toch van te weinig formaat. Ongetwijfeld waren het goede en gedreven docenten en menige oudere ingenieur zal met enige nostalgie de herinneringen aan hun onderwijs aan de hand van de artikelen over Tellegen en Kwee San Liat boven laten komen. Op geen enkele wijze lijken hun teksten die over zulke zaken gaan als 'gelovig denken over de techniek' en 'zelfwording en zelfverlies in de arbeid' hedendaagse techniekfilosofen echter nog iets te zeggen te hebben. Daarvoor is hun denken te abstract en te algemeen daarvoor houden zij zich ook te ver van concrete technologische ontwikkelingen.

Helaas geldt dit ook voor Cassirer als denker over techniek, aan wie zelfs twee bijdragen zijn gewijd. Het uittreksel van zijn artikel 'Form und Technik' uit 1930 waaruit een van deze bijdragen vooral bestaat, zal weinig lezers inspireren om het origineel ter hand te nemen. Possenti's artikel waarmee deze special afsluit, bevat ten slotte filosofie voor filosofen in de slechtste betekenis van het woord. Alleen wie Aristoteles, Descartes en Heidegger enigszins kent, loopt kans niet volledig in de Italiaanse hooggeleerde uiteenzettingen te verdwalen.

Wat Possenti met zijn bijdrage concreet beoogt, blijft hierbij onduidelijk. Het lijkt of hij in de lijn van de zwartste katholieke reactie de technologische klok vele eeuwen wil terugdraaien. Zo signaleert hij bijvoorbeeld het gevaar van een 'biologische terreur' waarbij vergeleken de Terreur van 1793 kinderspel is. Uitingen hiervan zijn niet alleen dat er al 'voortplanting zonder seksualiteit' bestaat maar zelfs ook dat er 'seksualiteit zonder voortplanting' is. Wil Possenti nu echt de pil en het condoom als verderfelijke vormen van beheersingstechnieken afschaffen en seksualiteit tot voortplantingsgedrag reduceren?

Het zal duidelijk zijn, dit speciale themanummer over techniekfilosofie is een gemiste kans. Behalve de reeds genoemde oudere generatie ingenieurs van wie de docenten op sympathieke wijze geportretteerd worden, zullen weinig geinteresseerden in het denken over techniek hier iets van hun gading vinden.