Nederland en het IMF

Het behoort tot het reguliere proces van de parlementaire democratie: Kamerleden stellen schriftelijke of mondelinge vragen aan ministers en de bewindslieden zijn verplicht om te antwoorden. Soms gaan de vragen over brandende politieke onderwerpen en hebben de antwoorden grote nieuwswaarde, maar vaak ook zijn de vragen triviaal en de antwoorden ontwijkend.

Deze week hebben de ministers Zalm (Financien) en Herfkens (Ontwikkelingssamenwerking) een lange lijst vragen van de Tweede Kamer beantwoord over het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank. De antwoorden leveren geen spetterend politiek vuurwerk op, maar ze zijn buitengewoon gedegen. Ze geven een inzicht in de wijze waarop Nederland aankijkt tegen de internationale financiele crisis en tegen het beleid van het IMF en de Wereldbank. De toonzetting is waar nodig kritisch en overigens in lijn met de brede internationale overeenstemming over de gang van zaken.

Nederland heeft in het multilaterale kader van het IMF en de Wereldbank een eigen positie. Na enig aandringen werd Nederland bijvoorbeeld toegelaten tot de 'Groep van 22', een clubje van landen die door de Verenigde Staten bij elkaar zijn getrommeld om over de aanpak van de financiele crisis te overleggen. Veel betekenis hecht het kabinet hier niet aan: het is beter om vast te houden aan de bestaande institutionele kaders. Daarom steunt Nederland dan ook een voorstel van Frankrijk om het Interim Comite, het beleidsbepalende orgaan van het IMF, te versterken. De Amerikanen voelen daar niets voor, want dan zouden ze hun informele macht verliezen.

Het Nederlandse standpunt over het IMF/Werelbank-beleid in de internationale financiele crisis laat zich in acht punten samenvatten:

Falend macro-economisch en micro-economisch beleid van landen vormt de achtergrond van financiele crises. De beste garantie om problemen te voorkomen zijn behoorlijk beleid en fatsoenlijk bestuur.

Verbetering van het toezicht op de financiele sector in 'opkomende landen'.

Verbetering van het toezicht op het internationale kapitaalverkeer.

Terughoudendheid met steun voor liberalisatie van het kapitaalverkeer: dit moet geleidelijk gebeuren en de lokale financiele sector moet stevig genoeg zijn om grote kapitaalstromen te kunnen verwerken.

Steun aan grotere openbaarheid van gegevens en van het beleid van het IMF.

Grotere betrokkenheid van de particuliere crediteuren bij steunpakketten voor landen in crisissituaties. Particuliere crediteuren moeten onder druk gezet worden om deel te nemen aan financieringspakketten voor landen in crisis.

Extra aandacht voor het sociale beleid in crisislanden.

Aandacht voor het moral hazard-probleem. Beleggers dragen verantwoordelijkheid voor hun eigen investeringsbeslissingen en dienen ook de financiele risico's hiervan te dragen. Als een land in crisis raakt, moeten ze niet automatisch kunnen rekenen op een bail out met publieke middelen.

De Verenigde Staten kwamen vlak voor de jaarvergadering plotseling met een voorstel om een nieuw, preventief financieringsmechanisme te scheppen voor landen die een behoorlijk beleid voeren maar niettemin besmet dreigen te raken met het crisisvirus. Die besmetting bestaat in de regel uit kapitaalvlucht en druk op de lokale munt.

Nederland was daar geen voorstander van, maar heeft vorige week toch meegedaan (300 miljoen dollar op een totaal van 41 miljard) aan een pakket voor Brazilie, de eerste toepassing van dit nieuwe mechanisme. Tegen een hoge rente (drie procentpunt boven de gangbare IMF-rente) is steun aan Brazilie toegezegd om een crisis af te wenden.

De Nederlandse aarzeling ten aanzien van dit nieuwe mechanisme heeft te maken met de druk op de Wereldbank om geld (voor Brazilie: 4,5 miljard dollar) beschikbaar te stellen.

Als gevolg van de reserveringsverplichtingen van de Wereldbank gaat dit ten koste van de normale activiteiten. De creatieve oplossing die hiervoor is gevonden heet Special structural adjustment loan, maar bevredigend is dat niet.

Uit de beantwoording van de Kamervragen blijkt nog eens hoe dicht het IMF zelf deze zomer bij een bankroet zat. Het IMF had nog slechts de beschikking over minder dan zeven miljard dollar voor nieuwe financiele crises.

Inmiddels is de liquiditeitspositie sterk verbeterd. Na de Amerikaanse goedkeuring van zijn bijdrage aan het Fonds beschikt het IMF over zo'n 95 miljard dollar aan nieuwe quota van de lidstaten. Er bestaat nog altijd het reservepotje van het General Arrangement to Borrow (9 miljard dollar) en sinds kort is het New Arrangement to Borrow (45 miljard dollar) in werking getreden.

Nederland doet actief mee aan deze financieringsmechanismen. Alleen dat al is een goede reden voor de Tweede Kamer om de gang van zaken in het IMF - en de Wereldbank - nauwgezet te blijven volgen.

    • Roel Janssen