MIDDEN IN DE WATERSTOFBAL

'De data-analyse ligt mij minder, ik ben toch meer ingenieur dan fysicus' zegt dr.ir. Rob Kreuger vanuit Geneve, waar CERN is gehuisvest. 'Voor mij was de uitdaging om de nauwkeurigheid en bedrijfszekerheid van een stukje van de CPLEAR-detector te waarborgen.'

Kreuger, opgeleid binnen de poorten van het IRI (Interuniversitair Reactor Instituut) van de TU Delft, vertrok in 1990 naar Geneve om als promovendus gestalte te geven aan de Delftse participatie binnen het CPLEAR-experiment. Inmiddels is zijn contract afgelopen, met ingang van komend jaar keert hij terug naar het instituut waar hij zijn ingenieursloopbaan begon. 'De detector is ontmanteld', zegt hij. 'De daadwerkelijke experimenten met CPLEAR zijn in 1996 afgerond, de analyses zijn klaar. Het samenwerkingsverband van de zeventien instituten is ontbonden.'

Afgelopen september promoveerde Kreuger op zijn werk bij CPLEAR. De Delftse bijdrage bestond vooral uit het meten en regelen van de invallende bundel antiprotonen. Kreuger: 'Die bundel moet zo zijn ingesteld dat de antiprotonen precies midden in de waterstofbol stoppen om samen met protonen de gewenste kaonen te produceren.'

Om de antiprotonen te sturen legt een bundelmonitor - twee dradenkamertjes vlak voor de waterstofbol - de bundelpositie vast. Elektronische uitlezing van de gegevens dient om de bundel on line bij te sturen zodra hij afwijkt van de opgegeven waarde. Van alle experimenten aan de antiprotonenring in CERNwas CPLEAR de enige met zo'n automatische bundelregeling.

Het waterstofgas zat onder een druk van 16 bar opgesloten in een bol met een straal van 7 centimeter. De 0,6 millimeter dikke wand was opgebouwd uit Mylar, Araldite en Kevlar vezels. Met simulaties is de positie waar de antiprotonen tot stilstand komen, doorgerekend. Om deze precies in het midden te krijgen moest de hoeveelheid vertragend materiaal worden aangepast. In de praktijk gebeurde dat met een verzwakker van beryllium die kon worden gekanteld om de effectieve dikte te varieren.

Kreuger: 'In het begin werkte dat niet goed, de bundel kwam verkeerd uit. Als alle andere groepen hun detectoren op orde hebben en je run van twee a drie weken bundeltijd tikt onbenut weg, dat is dat niet leuk. Gelukkig is het probleem snel verholpen.'

In Delft gaat Kreuger zich onder leiding van prof.dr. C.W.E. van Eijk, tevens zijn promotor, bezig houden met het ontwikkelen van nieuwe instrumenten. Op basis van neutronendiffractie zal gemeten gaan worden aan een te bouwen spallatiebron, waarbij deeltjes van een atoomkern worden afgeschoten. Het gaat opnieuw om een Europees samenwerkingsverband. Spijt van zijn vertrek uit Geneve heeft Kreuger niet. 'Bij CERN is het bouwen van fysische detectoren weinig uitdagend werk, ze maken vooral gebruik van bestaande kennis. Voor het ontwikkelingswerk is de universiteit een aantrekkelijker plek.'