'Mevrouw Philips'

Begin jaren zeventig zat ik in een actiegroep van radicale studenten. In een schaars verlicht, vochtig keldertje onder het Instituut voor Neerlandistiek aan de Herengracht in Amsterdam onderwierpen we het kapitalisme aan scherpe ideologische analyses. Supermarxistisch waren we. Eendrachtig werkten we bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van een 'materialistiese literatuurteorie' in het kader van Neerlandistiek en klassenstrijd. Tot er enkele ultrafeministische studentes opstonden die beweerden dat de klassenstrijd passe was. Zij proclameerden de onverbloemde seksenoorlog van alle vrouwen tegen alle mannen.

Er ontspon zich een debat dat een tijdje de hele studentikoos-linkse beweging bezighield en dat de geschiedenis is ingegaan als 'de mevrouw Philips-discussie'. Moesten wij, om het maar even samen te vatten, als linkse studentes solidair zijn met mevrouw Philips, die als vrouw in de patriarchale samenleving evenzeer werd onderdrukt als alle andere vrouwen of met de arbeiders van Philips die het luxe leventje van mevrouw mogelijk maakten? Wetenschappelijke periodieken zoals de Socialisties-Feministiese Teksten gaven het debat richting en overtuigden mij ervan dat de proletarische revolutie inderdaad niet alles was. 'Als sekse op zich een historiese kategorie is, dan volgt daaruit dat de theorie van de klassestrijd als enige bron van historiese verandering niet juist is' orakelde Soc-Fem. Emancipatie van vrouwen, ongeacht de klasse waartoe zij behoren, was ten minste zo essentieel als de emancipatie van de arbeid.

Wat een harteloze, theoretische discussies waren dat indertijd. We hadden het over 'soorten' in plaats van over mensen. Kapitalisten en arbeiders waren antagonistische categorieen, evenals mannen en vrouwen inclusief de volkomen abstracte 'mevrouw Philips'. Dat er in het echt een mevrouw Philips, een mevrouw Shell of een mevrouw Unilever zou kunnen bestaan, kwam niet eens bij me op. 'Mevrouw Philips' was alleen maar de naam waaronder een ideologisch debat werd gevoerd.

Nu blijkt ze ineens Hansje te heten. Hansje Boonstra.

Het bericht dat de verminkte, onderkoelde vrouw die geboeid in Hoek van Holland langs de kant van de weg was gevonden, de echtgenote van Philipstopman Cor Boonstra is, heeft iedereen geraakt. De anonieme mishandelde vrouw die meer dood dan levend in de berm werd aangetroffen, leverde aanvankelijk een eenkolommertje van vijf regels op, zo'n bericht waar je even van schrikt maar niet lang bij stilstaat.

De echte schok kwam pas toen de identiteit van de zwaargewonde vrouw bekend werd. Het is net als met andere geweldslachtoffers. Als zij een naam krijgen, Kerwin, Joes Meindert of Hansje, en een persoonlijke geschiedenis, wordt het tegen hen gebruikte geweld angstaanjagender. We kunnen ons identificeren met het slachtoffer en leven mee met hun familie.

Het maakt, de 'mevrouw Philips-discussie' indachtig, helemaal niet uit dat Hansje Boonstra-Raatjes in een BMW reed, zich een handtasje van Dior kon veroorloven, alsmede villa's op de Bahama's en in Belgie. Evenmin doet het er iets toe dat zij volgens de feministische theorie exemplarisch is voor de positie van vrouwen in patriarchale verhoudingen, die zich afhankelijk maken van hun (rijke) echtgenoten, om vervolgens voor een jonger exemplaar te worden ingeruild. Hansje Boonstra heeft noch met 'klassenstrijd' noch met 'seksenstrijd' te maken, zij is slachtoffer van een afschuwelijk misdrijf.

De maatschappelijke positie of huwelijksperikelen van 'mevrouw Philips' interesseren mij niets meer. Mijn belangstelling gaat alleen nog maar uit naar haar persoon, naar haar gezondheid, naar de vragen waarom juist haar deze marteling moest overkomen en welke schurk dit op zijn geweten heeft. Dat het een man is (of meer dan een) lijkt me aannemelijk. Een enkele uitzondering daargelaten worden alle opzienbarende geweldsdelicten door mannen gepleegd, een gegeven waaraan in het recente zinloosgewelddebat maar weinig aandacht is besteed.

In de schaduw van het nieuws over Hansje Boonstra-Raatjes werd afgelopen zondag in Amsterdam een dertienjarig meisje door haar vader doodgestoken. 'De vader was de wanhoop nabij', zegt in Het Parool L.

Brouwer, schrijfster van een proefschrift over weggelopen Turkse en Marokkaanse meisjes. 'Vergeet niet dat deze vaders het beste met hun dochters voor hebben. Ze weten alleen niet hoe?' Hoe krijgt iemand zo'n opmerking uit haar mond? Waarom deze relativering van een koelbloedige moord op een 'ongehoorzame' dochter? En waarom die domme generalisering: 'deze vaders'? Alsof alle islamitische mannen hun dochters om zeep brengen. Laten we nou eens ophouden mensen niet als individuen maar als 'categorieen' te beschouwen.

Een tijdschrift dat er veel toe heeft bijgedragen de hokjesgeest te bestrijden door zelfs mannen als individuen te behandelen, is het feministische maandblad Opzij, deze week bekroond met de Joke Smitprijs. In Opzij verschijnt de interview-serie 'Langs de Feministische Meetlat', geschreven door hoofdredacteur Cisca Dresselhuys. Allerlei bekende mannen, van Kamerlid tot premier en van hoofdredacteur tot topondernemer, hebben zich al aan Cisca's kritische test onderworpen. Sommigen werden ontmaskerd als ware huistirannen anderen als weemakende softies, een enkeling ontpopte zich als de ideale echtgenoot of vriend. Maar het sympathieke van alle vraaggesprekken is dat iedereen in zijn waarde wordt gelaten. Soms doen de gesprekken me blozen, bijvoorbeeld als ik mezelf er op betrap nog altijd in categorieen te denken terwijl het om mensen gaat.

In het decembernummer van Opzij, wordt de ontslagen procureur-generaal Arthur Docters van Leeuwen langs de Feministische Meetlat gelegd. Omdat hij ooit chef was van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), een instelling die onschuldige mensen bespied, besmeurd en gechanteerd heeft, kon de man in mijn ogen geen goed doen.

Maar wat blijkt? Docters laat zich kennen als een niet-rancuneus, relativerend, geestig en beminnelijk mens.

Slechts op een punt houd ik mijn categorische twijfel: als de voormalige super-PG in alle toonaarden ontkent dat haar 'vrouwzijn' Winnie Sorgdrager parten heeft gespeeld en dat zij zou zijn stukgelopen op machogedrag van de procureurs-generaal. 'Dat slaat echt helemaal nergens op. Het is een belachelijke uitspraak, het tegendeel is het geval', zegt Docters.

Misschien hadden ze het beste met haar voor, maar wisten ze alleen niet hoe.