‘De cultuur bij de sportverenigingen moet veranderen’

Seksuele intimidatie en misbruik in de sport

Sportclubs in Nederland moeten veel actiever worden bij de bestrijding van misbruik, concludeert de commissie die de misstanden onderzocht.

Robin Utrecht

Als hij terugdenkt aan haar brief krijgt Klaas de Vries nog de rillingen. Hoe zou het dat meisje zijn vergaan wanneer haar sportclub niet zulke strikte regels had gehanteerd? Ze zat al in de auto van een van de begeleiders, had hij gelezen, totdat een ander lid opmerkte dat dit tegen de huisregels van de club was. „Dat heeft mijn leven gered”, schreef de sporter in haar brief, bang als ze was om door haar begeleider misbruikt te worden.

„Zulke verhalen gaan door merg en been”, zegt de oud-minister over de brieven die hij onder ogen kreeg als voorzitter van de Onderzoekscommissie seksuele intimidatie en misbruik in de sport. „Die verhalen zullen me altijd bijblijven.”

Toch wil hij met dit voorbeeld vooral benadrukken hoe belangrijk het kan zijn als verenigingen strikte regels hebben en die daadwerkelijk naleven. Want als hij de voorbije maanden iets heeft gemerkt tijdens zijn rondgang in de sportwereld, is het wel dat goede bedoelingen dikwijls leiden tot niks. „Mooie uitspraken blijken vaak holle frasen. En daarmee bereiken we echt geen cultuurverandering.”

Deze dinsdagochtend presenteerde de Onderzoekscommissie Seksuele intimidatie en misbruik haar bevindingen. Zeven maanden onderzoek, in opdracht van sportkoepel NOC*NSF, heeft geresulteerd in een rapport van 224 pagina’s dat leest als een actiepamflet. „Het is dringend noodzakelijk om seksuele intimidatie en misbruik in de sport veel actiever tegen te gaan”, schrijven De Vries, oud-rechter Egbert Myjer en voormalig staatssecretaris Clémence Ross-van Dorp. Hun conclusies leunen op rapportages van hoogleraar sport en recht Marjan Olfers, onderzoekster Marianne Cense van seksueel kenniscentrum Rutgers en de Belgische criminologe Tine Vertommen.

Samengevat blijkt uit hun rapport dat slachtoffers het soms moeilijker wordt gemaakt dan daders. Niet alleen door obstakels in het vervolgproces, capaciteitsgebrek bij de politie, rechterlijke instanties en het OM, maar ook door onduidelijkheid en laksheid bij sportclubs. Meldingen van wangedrag leiden zelden tot effectieve vervolgstappen en als er al strafrechtelijke of tuchtrechtelijke procedures worden ingezet, dan zijn de maatregelen en sancties in de meeste gevallen mild.

Schuren doet het bij alle betrokken partijen. Van de dorpsclub tot de recherche, van de roeibond tot op het hoogste ambtelijke niveau. „De samenwerking tussen de verschillende ministeries die zich met het bestrijden van seksuele intimidatie en misbruik bezighouden is zeer zwak en moet structureel worden verbeterd.”

De commissie doet meerdere aanbevelingen waarvan een meldplicht bij seksueel wangedrag de voornaamste is. Ook moeten verjaringstermijnen binnen het tuchtrecht verdwijnen, moeten gemeentes sportclubs intensiever ondersteunen en is het de hoogste tijd dat verschillende ministeries nu wél samen gaan werken. De commissie stelt ook een keurmerk voor ‘veilige verenigingen’ voor, waarmee clubs bewijzen dat zij zich aan uniforme regels houden, zoals verplichte cursusavonden, het eisen van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) voor vrijwilligers en zichtbare vertrouwenspersonen.

Kritiek

De Vries heeft stevige kritiek op het Vertrouwenspunt Sport van NOC*NSF, waar sporters die te maken hebben gehad met seksueel wangedrag advies kunnen inwinnen. Twintig jaar geleden vervulde dit orgaan een pioniersrol, nu weet niemand wat er precies wordt gedaan met de ongeveer zeventig meldingen die er jaarlijks binnenkomen. „Het is als een tussenstation waar de treinen verdwijnen.”

De dertien aangesloten vertrouwenspersonen delen hun adviezen niet met elkaar, noch met bonden of clubs. Terugkoppeling is er amper, discretie misschien wel te veel. „Nu blijft geheel in het duister wat er geadviseerd wordt en kan niemand de kwaliteit van de adviezen (en van de adviseurs) beoordelen”, aldus de commissie.

Van die zeventig meldingen heeft de overgrote meerderheid geen gevolgen. Het Instituut Sportrechtspraak, waarbij zestig sportbonden zijn aangesloten, doet gemiddeld één uitspraak per jaar inzake seksuele intimidatie. Reden daarvoor zouden de kosten van een proces kunnen zijn. De instantie heeft een krap budget (131.252 euro in 2015) en heeft daarom bepaald dat de proceskosten voor de aangever zijn wanneer diens klacht ongegrond of niet-ontvankelijk wordt verklaard, wat kan oplopen tot duizend euro. Volgens de commissie heeft dit een ontmoedigende werking. Oplossing? Een fonds waarmee bonden aangevers compenseren.

Drank en drugs

De systemen zijn bovendien niet waterdicht. Uit het rapport blijkt dat er nog altijd foute figuren door de mazen van het tuchtrecht glippen. Voorbeeld? Een trainer die twintig jaar geleden met enige regelmaat met zijn hand in de broek zat van junioren, hen drank en drugs gaf en hen bij hem thuis liet slapen. De Onderzoekscommissie heeft hier meldingen van ontvangen die ook bij de betreffende sportbond bekend zijn, maar deze bond kan geen tuchtzaak aanspannen. De trainer is geen bondslid meer en tegen oud-leden kunnen geen zaken worden begonnen. Dus kan niemand de man formeel beletten om weer in de sport te gaan werken.

Om bij zulke gevallen op tijd te kunnen ingrijpen pleit de commissie voor een meldplicht, net als in het onderwijs en de zorg. Nu hebben leden en bestuurders soms geen idee wat ze moeten doen. Sommige gaan het daardoor uit de weg, knijpen een oogje toe of blijven uit gemak ontkennen, onder het mom: „Dit gebeurt bij ons niet.” Bestuurders vragen zich vaak af wat zo’n zaak betekent voor hun club. Het is slechte pr, de dader is soms een gewaardeerde kracht (de lijnentrekker bij dag en dauw), het kan sponsoren afschrikken en soms ontstaat er een interne oorlog, omdat personen het opnemen voor de dader.

Een meldplicht bij de overkoepelende bond voorkomt dat clubs hun eigen plan trekken. In een wereld waarin ruim vijf miljoen sportende Nederlanders baat hebben bij dezelfde richtlijnen, doet elke bond en club tot verbazing van De Vries wat anders. Hij streeft naar uniformiteit.

Het rapport bevat cijfers over misbruik, maar deze komen uit een eerder gepubliceerd onderzoek van de Belgische criminologe Tine Vertommen. Zij enquêteerde in 2014 1.999 Nederlanders die voor hun achttiende lid waren van een sportclub en concludeerde daaruit dat twaalf procent van hen met ongewenst seksueel gedrag te maken had gehad; vier procent met aanranding en verkrachting. Topsporters vormen de grootste risicogroep.

Hoewel de commissie Vertommen vroeg haar rapport nader te onderzoeken, blijft het een feit dat het aantal ondervraagden beperkt is en dat respondenten de online vragenlijst invulden in een periode dat praten over misbruik een nog groter taboe was dan nu. Zelf ontving de commissie 103 meldingen, wat leidde tot gesprekken met ruim dertig slachtoffers.

Cijfers zijn niet zozeer de kern van het rapport. Bewustwording en alertheid wel. Het is streven naar wijdverspreide erkenning van een probleem dat volgens de commissie nog steeds in een taboesfeer verkeert. „Iets ‘erg’ vinden krijgt nu eenmaal pas echt betekenis als iedereen ook alles doet wat nodig is om seksuele intimidatie en misbruik te voorkomen.”