Keuze lijfrente fiscaal bepaald; Lijfrenteverzekeringen kunnen goede vorm van 'aanvullend pensioen' zijn

De overheid heeft de 'verzorgingsvoorziening' lijfrenteverzekering willen stimuleren. De premie is aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Later moet wel belasting betaald worden over de uitkering. Het eerste voordeel weegt niet altijd op tegen de latere belastingafdracht.

Op aandringen van banken, verzekeringsmaatschappijen en assurantie-adviseurs sluiten veel mensen aan het einde van het jaar nog even een lijfrenteverzekering, beter bekend als de koopsompolis. Voor de fiscale aftrek is dat tijdstip overigens niet echt noodzakelijk. Als u voor 1 juli 1999 zo'n verzekering afsluit kan de premie of koopsom (= eenmalige premie) nog over het belastingjaar 1998 aftrekbaar worden gesteld. Dat geeft u nog even de tijd om te bedenken of zo'n verzekering in uw situatie wel past.

Een lijfrenteverzekering heeft tot doel om aan iemand periodiek (per maand, kwartaal of jaar) een uitkering te geven, waarbij als voorwaarde geldt dat, elke keer wanneer de verzekeraar moet uitkeren, het 'verzekerde lijf' in leven is. Is de persoon overleden dan hoeft de verzekeraar ook niet meer uit te keren. Verzekeraars doen natuurlijk niets voor niets. Als klant moet u eerst een hoeveelheid geld aan de verzekeringsmaatschappij geven. Omdat vaak pas veel later die uitkeringen nodig zijn (als eigen VUT-uitkering of aanvulling op het pensioen) wordt doorgaans eerst een kapitaal verzekerd. Dat kapitaal - dat de verzekeraar ter beschikking zal stellen als de verzekerde persoon op een moment in leven is of bij eerder overlijden - moet dan gebruikt worden als 'aankoopsom' voor de lijfrenteuitkeringen.

De overheid heeft deze eigen 'verzorgingsvoorziening' willen stimuleren. Daarom is de premie voor dergelijke verzekeringen aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Maar later moet over de uitkeringen wel inkomstenbelasting betaald worden!

Prductaanbieders schermen vaak met het gegeven dat u nu in een hoge belastingschijf de premie aftrekbaar stelt en straks veel minder belasting hoeft te betalen.

Bekijk goed of dat in uw situatie zo is. Niet zelden is door allerlei andere aftrekposten als bijvoorbeeld de hypotheekrente de lijfrentepremie aftrekbaar in de eerste schijf van de inkomstenbelasting en wordt er circa 36 procent belasting bespaard. Wanneer de lijfrente-uitkeringen gaan komen kan het zijn dat door een weggevallen hypotheeklast en goede VUT- of pensioenvoorziening er 50 procent inkomstenbelasting over de lijfrente-uitkeringen betaald moet worden.

Wanneer u in het bezit bent van een of meer 'koopsompolissen' dan zult u op een gegeven moment bericht krijgen van de verzekeraar dat er een lijfrentekapitaal beschikbaar komt. Zeker de mensen die er een aantal hebben (in bepaalde gevallen zijn er wel twintig verzameld, bij diverse verzekeraars en op verschillende tijdstippen beschikbaar) zullen dan goed moeten gaan nadenken hoe zij de lijfrente-uitkeringen zullen willen ontvangen.

Ten eerste zal er een analyse gemaakt moeten worden van de toekomstige inkomensvoorzieningen: AOW, VUT- of pensioenuitkeringen en andere voorzieningen als gespaard of belegd vermogen. Dan kan bezien worden hoe de lijfrente-uitkeringen daarin passen. Vervolgens moet een onderscheid gemaakt worden tussen lijfrenteverzekeringen, afgesloten (eenvoudig gezegd) voor 1 januari 1992 en die van daarna. Er gelden daarvoor namelijk verschillende fiscale regels.

Vanuit de verzekeringen van voor 1 januari 1992 kunnen de lijfrente-uitkeringen afhankelijk zijn van andere 'lijven' dan het uwe. Bijvoorbeeld ook van eventuele kinderen. Ze mogen aan iedereen toekomen. Bij gehuwden geldt echter wel dat de uitkeringen worden belast bij de echtgenoot met het hoogste persoonlijk inkomen. De lijfrente-uitkeringen kunnen levenslang zijn (dus tot overlijden van het verzekerd lijf/de verzekerde lijven), maar het mag ook korter.

Voorwaarde is wel dat er een kans van ongeveer 1 procent bestaat dat de verzekeraar door overlijden van de verzekerde lijven zou kunnen stoppen met uitkeren ('sterftekans'). Afkoop, wat wil zeggen dat het lijfrentekapitaal niet wordt omgezet in lijfrente-uitkeringen maar dat het lijfrentekapitaal in een keer wordt ontvangen, mag ook. Er moet dan wel progressief belasting over worden betaald. Dat is niet altijd nadelig in vergelijking met de belastingheffing over de lijfrente-uitkeringen. Want als u bijvoorbeeld een belastbaar inkomen van 65.000 gulden heeft en u krijgt 35.000 gulden lijfrentekapitaal ineens, dan moet u er 50 procent inkomstenbelasting over betalen. Maar als u gedurende 5 jaar 7.600 gulden lijfrente per jaar zou gaan ontvangen moet u over die uitkeringen ook 50 procent belasting betalen.

Bij de verzekeringen van na 1 januari 1992 zijn de lijfrente-uitkeringen strakker in de wet op de inkomstenbelasting omschreven. Dan mogen alleen de volgende vormen aan lijfrenten worden 'gekocht':

Levenslange oudedagslijfrente. De uitkeringen zijn afhankelijk van het leven van degene, die de verzekering heeft gesloten (de belastingplichtige).

Overbruggingslijfrente. Afhankelijk van het leven van de belastingplichtige. De uitkeringen moeten ingaan voor de 65-jarige leeftijd, of eerder als er dan een pensioenuitkering (meestal uit loondienstverband of vanuit een 'beroepspensioenfonds') gaat komen en mogen niet langer (maar ook niet korter) dan tot dat moment doorlopen. Als u op 58-jarige leeftijd een 'overbruggingslijfrente' in wil laten gaan en vanaf 62 jaar zult u een ouderdomspensioen gaan ontvangen, dan moet de lijfrente vier jaar lopen. Hoogte van de lijfrente per jaar is maximaal ongeveer 120.000 gulden.

Tijdelijke oudedagslijfrente. Afhankelijk van het leven van de belastingplichtige. De uitkeringen mogen niet eerder ingaan dan vanaf 65 jaar of het eerdere moment waarop pensioenuitkeringen worden ontvangen. De uitkeringen moeten minimaal 5 jaar lopen. Als u 62 bent en voor een tijdelijke oudedagslijfrente kiest dan zit u er minimaal tot uw 67ste aan vast. Hoogte van de uitkering is maximaal ongeveer 36.000 gulden per jaar.

U kunt het kapitaal gebruiken voor combinaties van deze lijfrentevormen. Ook is een combinatie met een 'nabestaandenlijfrente' mogelijk. Na uw overlijden kan de verzekeraar uit blijven keren aan iedereen. Maar als die lijfrenten toe gaan komen aan bepaalde familieleden (waaronder de kinderen), dan moeten die lijfrente-uitkeringen ofwel levenslang zijn ofwel uiterlijk eindigen als de betreffende ontvangers de 30-jarige leeftijd bereiken. (Zijn uw kinderen ouder dan 30 en zij gaan na uw overlijden lijfrente-uitkeringen ontvangen, dan gaan die dus hun hele leven mee.) De echtgenoot mag na uw overlijden wel kiezen voor een tijdelijke lijfrente, mits er maar minimaal 1 procent 'sterftekans' is. Afkopen mag bij deze verzekeringen niet. Als dat wel zou gebeuren dan zorgt de fiscus (door allerlei boetebepalingen) er wel voor dat u nauwelijks geld overhoudt.

In de praktijk blijkt dat er nogal wat gepuzzeld moet worden bij het beschikbaar komen van een of meerdere lijfrenteverzekeringen. In bepaalde gevallen leidt dit tot onverwachts aanvullend inkomen, waarvan de fiscus een behoorlijk graantje meepikt. Hoewel lijfrenteverzekeringen een goede vorm van aanvullend 'pensioen' kunnen zijn, is het verstandig om voor het afsluiten van zo'n verzekering na te gaan of het in uw specifieke situatie wel een doel dient. Kick niet (alleen) op de fiscale aftrekbaarheid van de premie.