'Ik ben ontrouw aan mijn eigen verleden'; Historicus en schrijver Ernst Kossmann:

Historicus Ernst Kossmann, tweelingbroer van de in juni overleden schrijver Alfred Kossmann, schreef na lang aarzelen een familieboek. Het verschijnt deze week. Zijn voorvaders waren 'burgers met een zeker smaakgevoel', een type dat volgens Kossmann aan het uitsterven is. 'Ik heb het romantische levensgevoel zoveel mogelijk vermeden.'

Ik heb m'n geheugen nooit geoefend. Niets opgeslagen ook. Ik kan er dus ook niet op vertrouwen, er geen beroep op doen. En dat is maar goed ook. Sommige historici hebben een formidabel geheugen. Die schrijven stukken waarin ze zich baseren op feiten die ze zich menen te herinneren. En dat blijkt achteraf dan niet te kloppen.

“Mijn broer Alfred was net zo. Maar in een opzicht had hij juist een uitzonderlijk geheugen. Hij hoefde een gedicht maar een keer of twee, drie te lezen en hij kende het uit z'n hoofd. Het vloeide hem aan. Ook op z'n oude dag kon hij nog lange gedichten opzeggen. In het juiste metrum, heel mooi gesproken. Vroeger als kinderen, oefenden we daarin. Ik heb er later alleen profijt van gehad tijdens de oorlog, toen ik als dwangarbeider in Duitsland zwaar lichamelijk en geestdodend werk moest doen. Om het geluid van de machines te overstemmen, om het draaglijk te maken, citeerde ik destijds luidkeels flarden gedichten van Roland Holst, Nijhoff, van Heine. Maar daar is niets van over.'

Familiearchief, Notities over Voorouders, Tijdgenoten en Mijzelf (Bert Bakker) is de titel van het nieuwe boek van Ernst Heinrich Kossmann (76), emeritus hoogleraar in de geschiedenis na de Middeleeuwen in Groningen. Kossmann is ook na zijn aftreden in 1987 blijven schrijven, maar op een enkele uitzondering na niet over zichzelf of zijn familie. “Ik heb lang geaarzeld of ik de opstellen en columns wel moest publiceren', zegt hij. “Het is wel erg veel ik ik ik. En of het nou zo interessant is wat ik heb meegemaakt? Als historicus zit er weinig ontwikkeling in m'n leven. Ik zou zelfs niet weten of er wel sprake van ontwikkeling is. Doordat ik mij heel veel dingen bovendien niet kon herinneren moest ik deels vertrouwen op aantekeningen, van mijzelf en anderen.

Gelukkig werd er in mijn familie veel geschreven.

“Het is zoals ik het in m'n boek schrijf: Ik ben van nature blijkbaar ontrouw aan het eigen verleden en loop soms bijna als een vreemde door de straten en langs de huizen waar ik vroeger heb gewoond, gesteld dat ik de weg terugvind. Naarmate ik ouder word neemt de leegte in mijn verleden toe. Ik kan me van heel veel dingen geen voorstelling meer maken. Letterlijk niet. Dat maakt me wel eens droevig. Ik kijk naar een foto waarop jongens en mannen staan en ik weet de namen niet meer. Ik herlees de brieven die ik schreef als dwangarbeider, besef dat de toon geforceerd opgewekt is, maar de achterliggende realiteit is zoek. Foetsie. Ik weet niet meer hoe het toen rook, wat we toen aten, hoe de fabriek er uitzag waar ik werkte. Ja, plaatjes van fabriekshallen of schilderijen geven me associaties. Maar anders dan bij Proust of andere schrijvers voeren die associaties me niet terug naar mijn historische werkelijkheid. Van de werkelijkheid die ik vanaf mijn kindertijd heb opgebouwd is vrijwel niets over.

“Ik herinner me mijn ouders alleen in hun laatste fase. Ik heb letterlijk geen idee hoe ze waren toen ik jonger was, wat voor ontwikkeling ze hebben doorgemaakt. Wat was zo'n man als mijn vader of zo'n vrouw als mijn moeder toen ze veertig waren? Ik moet ze goed hebben gekend. Maar ik weet het niet meer. Er zijn alleen restanten.

“Deze afstandelijkheid ten opzichte van mijn eigen verleden, is misschien de grond van mijn scepsis voor de taak die romanschrijvers en sommige historici zich stellen: het verhaal of de geschiedenis te laten leven. Dan denk ik: ze fantaseren maar wat. Huizinga die probeerde het verleden te vatten in levende beelden; ik zou niet weten hoe dat moet.

Ik vind de geschiedenis pas interessant als ik er een probleem van kan maken. De bestudering ervan is voor mij altijd een intellectuele exercitie geweest en geen esthetische.'

Huismus

We zitten in de woonkamer van zijn 'sobere rijtjeshuis in een buitenwijk' van Groningen. Hetzelfde huis dat hij in 1966 met zijn gezin betrok, na zijn aanstelling aan de plaatselijke universiteit. Aan de muren in de woonkamer twee schilderijen. Achter hem een prachtig expressionistisch portret in blauw, wit en zwart van Kossmann zelf, vorig jaar ter gelegenheid van z'n 75ste verjaardag geschilderd door Sam Drukker. Daar schuin tegenover een portret in realistische stijl van Heinrich Kossman, de overgrootvader die aan het begin van de negentiende eeuw in Rheidt bij Bonn werd geboren en lange tijd in St. Petersburg doceerde. Over deze rusteloze voorzaat gaat het eerste deel van Familiearchief. Nee, hij voelt zich niet aan hem verwant. Heinrich reisde wat af, terwijl Ernst een huismus is die z'n kooi niet graag verlaat.

“Een alles behalve banale levensgeschiedenis had hij. Een joodse jongen uit een laag slagersmilieu, geboren in Rheidt bij Bonn die zich opwerkt tot leraar in de wiskunde in St. Petersburg. Die trouwt met een vrouw uit een predikantengezin uit een van de Baltische staten. Wiens jongste zoon, mijn grootvader, vervolgens in Nederland terechtkomt. In zijn jongere jaren was hij bevriend met belangrijke mensen als de revolutionair Mozes Hess en de schrijver Berthold Auerbach. Zelf was hij natuurlijk niet belangrijk. Maar zijn leven is toch ook een vorm van geschiedenis. Mijn overgrootvader was iemand die iets van zijn leven heeft gemaakt, en als zodanig interessant.

“Wat mij bovendien in zijn lot trof: de relatie van dit soort jodendom en Duitsland. De hoop die mensen als mijn overgrootvader en zijn joodse tijdgenoten hadden dat Duitsland dankzij Bismarck groot en machtig zou worden, humaan ook en ethisch. Heel wonderlijk natuurlijk. Het demonische dat er in die tijd toch ook al was, zag hij blijkbaar niet. Mijn grootvader schreef bij de dood van Bismarck een stuk over het keizerrijk als een bron van rust en humaniteit. Europa kon tevreden zijn met het Duitsland van 1898. Dat is toch iets anders gelopen.'

Zijn overgrootvader, grootvader en vader zo blijkt uit Familiearchief, waren typische producten van een Bildungsburgertum dat in de negentiende eeuw tot bloei kwam. Ze waren hun levenlang onderwijzer of bibliothecaris van beroep, cultureel ontwikkeld en bezaten een zeker smaakgevoel. Een manier van leven die volgens Kossmann nu aan het verdwijnen is. In September 1995 zinspeelde hij in een essay in NRC Handelsblad op het einde van het 'burgerlijke bestaans- en denkpatroon': 'Door de explosie in keuzemogelijkheden en informatie en door de grillen van de globale economie, lijkt er een einde te zijn gekomen aan het idee van een traditionele loopbaan. Tot voor kort was het zo dat je aan het begin van je werkende leven een pad kon uitstippelen om na je pensionering te mogen vaststellen dat je min of meer in je opzet was geslaagd. Er was dan sprake geweest van een langzaam stijgende lijn waardoor je met een tevreden gevoel op je werkend leven kon terugkijken.'

“De opvatting van hoe een menselijk leven er uit hoort te zien is gewijzigd. Je doet het niet goed als je niet vaak van vak verandert voortdurend improviseert, en bereid bent steeds weer wat nieuws te leren.

Het is misschien nog niet helemaal duidelijk of dit vooral retoriek is of ook een weerspiegeling van de werkelijkheid. Maar aan de andere kant: zomaar een modegril is het zeker niet. Ben je nu als jongste bediende begonnen en als chef in hetzelfde bedrijf geeindigd, dan word je bespot. In plaats van de loopbaan is de carriere gekomen. Dat is iets wezenlijks anders. Een loopbaan verloopt gradueel, bij een carriere speur je voortdurend naar het verdienen van veel geld. Je streeft naar snel succes op een willekeurig gebied. Heb je dat, is er veel verdiend, dan moet je onmiddellijk ophouden met werken. Of in elk geval weer aan wat nieuws beginnen.'

Wat hij er van vindt? “Ik ben er niet op tegen hoor, dat heeft trouwens ook weinig zin. Men rommelt toch heel gezellig verder. En als een dergelijk bestaan als plezierig wordt ervaren, dan moet het maar.' Dat is, stellen we vast, misschien toch wat te luchtig. Laat hij er dan nog dit over zeggen: “Wat opvalt is dat met de almaar toegenomen keuzemogelijkheden ook de ontevredenheid en de onrust zijn gestegen. Als oudere, en ik ben zo langzamerhand oud, denk ik wel: wat heb je daar nou aan? Mensen, waarom maak je het jezelf zo moeilijk, want het wordt er eigenlijk niet vrolijker op. De dwang om van het leven te genieten, gelukkig heb ik dat niet hoeven meemaken. Je moet voortdurend op zoek naar iets nieuws. Naar avontuur. Dat is misschien toch overgewaaid uit de jaren zestig. Het verlangen naar extase. Het rusteloos zoeken ook naar een identiteit. Mensen die in hun ziel zitten te kijken en daar zit dan niets in. Zoals dat nu weer in de New Age-groeperingen gebeurt. Met de romantiek van de jaren zestig heb ik geen affiniteit. Het was me allemaal te oppervlakkig wat er toen gebeurde, te kreterig, te demagogisch, te kinderachtig vooral.

Het was vooral een romantiek van de straat.

“Ik heb het romantische levensgevoel zoveel mogelijk vermeden. Het zit er misschien wel in, maar ik heb het er niet uitgelaten. In kluizenaarsromantiek ben ik evenmin geinteresseerd. Die exclusieve concentratie op een project, dat zit niet in mijn karakter. Natuurlijk heb ik ook geprobeerd van het leven te genieten. Ik heb een gelukkig leven achter de rug. Maar daaronder versta ik wat anders dan de meesten. De geluksversie zoals die in de Verlichting leefde staat mij meer aan. Tevredenheid ja, maar dan niet in de sfeer van theelichtjes en een goudvis. Misschien is harmonie een beter woord dan tevredenheid. Evenwicht, dat vind ik aantrekkelijk.

“Dat betekent overigens niet dat ik een antiromanticus ben. Historisch gezien is de Romantiek een boeiende periode. Als object van studie trok het roekeloze ervan me wel aan. Er werd begin negentiende eeuw mooi geschilderd, prachtige muziek gemaakt en er was sprake van een interessante intellectuele ontwikkeling ook in staatkundig opzicht. Ik heb er een aantal jaren over gedoceerd wilde er op een gegeven moment zelfs een boek over schrijven. Ik verzamelde een bibliotheekje, begon met veel plezier te lezen, maar had er uiteindelijk de energie niet voor.'

Jodenvervolging

Hij heeft altijd geprobeerd, zegt hij, om 'gevoelsmatige en instinctieve reacties' niet in zijn beschouwingen te betrekken. Toch is er een periode in zijn leven geweest waarin hij uit het lood was geslagen. “Vlak na de oorlog heb ik mij wekenlang, misschien zelfs maandenlang bedrukt gevoeld. Niet dat ik mij dat gevoel nu nog herinner, maar ik kan het wel afleiden uit aantekeningen die ik toen maakte.

Ik had de laatste jaren van de oorlog als dwangarbeider in Duitsland gewerkt. Dat ondervond ik naast alle andere dingen die je erover kunt zeggen als een verruiming van mijn horizon. In twee opzichten. Ik kwam er met buitenlanders in aanraking. En het waren bovendien arbeiders, voornamelijk Franse arbeiders, mensen dus uit een ander land en een andere laag van de bevolking.

“Toen de oorlog was afgelopen was er een heel korte periode van euforie. En daarna het besef: we hebben niets te doen. Jarenlang had ik in Duitsland in een bepaald dagritme doorgeexerceerd, nu was er niets. Toen vlak na mijn terugkeer, hoorde ik van de gruwelen van de jodenvervolging. De werkelijkheid daarvan sloeg de Nederlandse bevolking neer. Ook ik had geen wandaad gepleegd, had niet gecollaboreerd, maar ook niets gedaan dat de situatie van de joden verbeterde. Als je dan niets te doen hebt urm je daarover verder. Toen heb ik een kantoorbaantje aangenomen en ben aan het werk gegaan. Ik ben koel weer uit de prut opgeklauterd. Na een korte tijd te hebben gewerkt heb ik daarna de studie hervat. Het was dus geen traumatische ervaring die me de rest van het leven heeft gehinderd.'

Terwijl hij nog studeerde publiceerde zijn tweelingbroer, de in juni overleden Alfred Kossmann, zijn eerste roman, De Nederlaag (1950). “Ik was volkomen vertrouwd met Fred zijn werk. Met zijn toon, zijn stijl, zijn manier van kijken. Er was geen sprake van dat we elkaar het licht in de ogen niet gunden. Toen hij succes had met De Nederlaag, dat meteen een tweede druk beleefde, was er bij mij geen sprake van jaloezie. En ook nadien niet. Telkens als er een boek van hem uitkwam, legde ik het werk waar ik mee bezig was neer, en begon het te lezen.

Hij schreef in een prachtige stijl, een prachtig Nederlands. Ik heb zijn verzameld werk boven in de kast staan. Het is mij zeer vertrouwd. Lange gesprekken voerden we er niet over. Als ik wel eens vroeg: 'Wat wil je daar nou mee' dan ging hij er niet op in. Dat werd nooit wat. Omgekeerd las hij veel van mij. Niet alles. De Lage Landen, daar kwam hij niet doorheen. Hij had met het boek geen affiniteit. Mijn grotere werken waren hem te moeilijk. Kritiek had hij eigenlijk nooit, behalve als ik in de krant schreef. Dat vond hij niets, of laat ik het zo zeggen: hij stond er gereserveerd tegenover. Het was hem niet journalistiek genoeg. Hij vond dat ik te veel bekend veronderstelde.'

In 1972 had Alfred een ernstig auto-ongeluk waardoor hij blijvend invalide werd. “Hij ging daar niet luchtig mee om. Hij heeft ook geen pogingen ondernomen om te revalideren, om zijn ledematen weer te laten functioneren. De aard van mijn broer was dat hij bleef zitten toen het lopen niet meer ging. Daar kan ik nog wel inkomen. Als ik hem wel eens vroeg hoe het met hem ging zei hij: 'Het gaat wel.' Aan klagen had hij een hekel. Evenals aan allerlei zich miskend voelende groeperingen. We doen tegenwoordig of we allemaal wel ergens het slachtoffer van zijn. We moeten ons zielig voelen.

“Hij deed of ik de geslaagde was, en hij de onmaatschappelijke. Vooral op het eind van zijn leven, toen hij het zwaar had, voelde hij daartoe de behoefte. Maar of hij dat meende? Ik geloof van niet, althans voorheen niet, tot vlak voor zijn dood. Hij was jarenlang kunstredacteur van een krant en heeft dat braaf en goed gedaan. Hij was juist een heel sterke persoonlijkheid, die zich tot allerlei dingen dwong.

Denkt u nu echt dat hij zoveel geschreven had als het waar was wat hij zei: dat hij geen discipline had, een zwerver was? Hij was juist een man met veel tucht die het werk dat hij aannam altijd op tijd afleverde. Ook in de lamentabele toestand waarin hij op het laatst verkeerde slaagde hij erin elke twee weken een stuk af te leveren. Hij was niet onmaatschappelijk, ook geen rebel. Wel een buitenstaander.

“We gingen allebei met tegenzin naar school, het gymnasium in Rotterdam. Ik was een slechte leerling, Fred was erbarmelijk. Ik had toen al een zekere mate van zelfverzekerdheid en luchthartigheid, van innerlijke gezapigheid ook, die me het gevoel gaven dat ik er wel doorheen zou komen. Fred miste dat. Ziek van de zenuwen was hij. Hij haalde allemaal enen, terwijl de docenten wel inzagen dat hij over bepaalde talenten beschikte die de moeite waard waren te worden ontwikkeld. Maar daar is het niet van gekomen, althans niet op het gymnasium. Al snel is hij van school gehaald, mijn vader was daar heel makkelijk in. In feite wilde hij niets anders dan schrijver worden. En reizen. Toen het slecht ging met de krant (Het Vrije Volk) heeft hij zijn vaste baan opgezegd. Hij stuurde toen regelmatig bijdragen uit het buitenland.

“Tijdens zijn begrafenis heb ik in een speech gezegd dat hij van zichzelf een theatertje maakte. In vraaggesprekken en zelfbeschouwingen wekte Fred altijd de indruk dat desintegratie het belangrijkste thema in zijn werk is. Het niet hebben van, de afwezigheid van een identiteit. Hij beheerste zijn desintegratie volmaakt. Ook in de mooie stukken die hij op het einde van zijn leven in de krant schreef: de mannen uit wie ik besta. Onder hen was er altijd wel een die het niet zag zitten - en een ander die het dan met galgenhumor weer rechtzette.

De regie daarvan had hij prachtig in handen. De karakters die hij opvoerde waren marionetten.

“We waren vertrouwd, niet intiem. Dat hoeft natuurlijk ook niet. We hebben dat waarschijnlijk van huis uit meegekregen. Mijn grootvader en vader waren zwijgzaam. Ik kwebbel graag, maar dat heb ik van mijn moeder. We hadden thuis een heel ironische, intellectualistische relatie. We praatten nooit over gemoedstoestanden of zo, dat zou ook bespottelijk zijn geweest. Mijn vader was vooral goed in moordende aforismen. Hij deed dat niet om te kwetsen, maar zo werd het door vrienden die in ons gezin kwamen wel vaak opgevat. Die dachten dat we elkaar aan het afkatten waren. Maar mijn vader deed het juist heel elegant. Zijn smaak was feilloos, op velerlei gebied. Hij bracht ons wel normen bij, maar meer tussen neus en lippen door. Het waren meer mededelingen zijnerzijds. Hij had eigenlijk geen leiding. Opvoeding daar had hij geen belangstelling voor.

“Geleerdheid is in mijn familie zo vertrouwd; onze situatie was anders dan bij de Reves. We hadden allemaal volle boekenkasten, mijn overgrootvader, grootvader, vader en broers. Het is een verschil of je een eerste generatie intellectueel bent, of een vierde zoals wij. Gerard verzet zich tegen de knapheid van zijn broer. Als Fred dat had gedaan dan had hij zich verzet tegen drie generaties voorgeslacht.

“Mijn broer was iemand die de zaken meteen op zichzelf betrok. Hij individualiseerde de problemen, terwijl ik ze juist liever generaliseer. Hij had sterk de neiging het gesprek naar zijn eigen ervaringen toe te trekken. Misschien hebben veel kunstenaars dat. Ik geloof niet dat die houding was aangeboren, hij heeft die zich later aangeleerd. Ik ben niet zo beschouwelijk over mijn eigen leven.'