Hand- en spandiensten; De CIA en het 'rode' kabinet-Den Uyl

Bij zijn aantreden als premier kreeg Joop den Uyl een waarschuwing: let op je inlichtingendienst. Elders in Europa haakten geheime diensten socialistische machthebbers pootje. Maar hier was de BVD loyaal en hielp de CIA mee tegen terreuracties. En die ene CIA-agent die in de PvdA probeerde te infiltreren was 'a damn, damn fool.'

Zou het toeval zijn, dat de Amerikaanse inlichtingendienst CIA de omvang van zijn personeel in Den Haag verdubbelde toen Joop den Uyl premier van Nederland werd? Het in 1973 moeizaam tot stand gekomen kabinet gold als het meest progressieve uit de geschiedenis. En met progressieve politici leek de CIA weinig op te hebben.

Net als in 1998 maakten sociaal-democraten in het midden van de jaren zeventig in West-Europa in belangrijke mate de dienst uit. Dat waren toen nog niet de 'Derde Weg'-socialisten van nu, maar ideologisch bevlogen herverdelers van inkomen, kennis en macht. Willy Brandt in West-Duitsland, Harold Wilson in Groot-Brittannie, Den Uyl in Nederland. Zij gingen niet alleen de strijd aan met het kapitalistische establishment, maar, zoals later zou blijken, ook met de Westerse geheime diensten.

Een oud-minister uit zijn kabinet vertelt dat Den Uyl bij zijn aantreden werd gewaarschuwd door Brandt en Wilson: de geheime diensten, zeiden zij, hebben weinig op met ons, sociaal-democraten. Wilson was geobsedeerd door acties van de Britse veiligheidsdienst MI5 tegen zijn regering en hij werd inderdaad het slachtoffer van een lastercampagne van een aantal MI5-officieren - in samenspraak met de CIA - die bekend werd als de Wilson-plot. Willy Brandt moest aftreden toen zijn eigen geheime diensten naar buiten brachten dat een van zijn naaste medewerkers, Gunther Guillaume, werkte voor de beruchte Oost-Duitse Staatssicherheitsdienst, de Stasi.

Den Uyl hoefde zich minder zorgen te maken over zijn eigen geheime diensten. De activiteiten van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten werden vanuit zijn departement gecoordineerd door vice-admiraal buiten dienst Frits Kruimink, die zich uiterst loyaal opstelde.

Bleef over de CIA. Begonnen in 1948 had het Haagse CIA-filiaal onder leiding van een station-chief steeds functionarissen gekend die verbindingen onderhielden met de diverse Nederlandse geheime diensten: de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD), de militaire inlichtingendiensten, de Inlichtingendienst Buitenland (IDB) en de Sectie Algemene Zaken (SAZ) een inlichtingenorganisatie die pas actief zou worden na een vijandelijke bezetting.

De relaties tussen de CIA en de BVD waren over het geheel steeds goed geweest, zo goed dat zij de betrekkingen van de CIA met de rechtstreekse zusterdienst, de IDB, overschaduwden. Voor een deel kwam dat doordat de BVD vele malen groter was dan de IDB, die nooit meer dan ongeveer zeventig medewerkers telde en door de Amerikanen werd beschouwd als een shoe-string operation. De CIA en de BVD voerden bijvoorbeeld in Berlijn gezamenlijke operaties uit op het terrein van de counterintelligence tegen de Russische inlichtingendiensten KGB en de GRU.

Behalve omvang van de diensten speelden ook persoonlijke elementen een rol. De IDB is door de jaren heen niet erg gelukkig geweest wat betreft de keuze van zijn diensthoofden. De BVD en zijn directe voorgangers werden daarentegen de eerste zeventien jaar na de oorlog geleid door de voormalige Rotterdamse hoofdcommissaris van politie, mr. Louis Einthoven, die in Langley in een bijzonder goed blaadje stond. Samen met het hoofd van de Britse inlichtingendienst MI6, Sir Dick White, genoot hij van alle hoofden van geheime diensten in West-Europa het meeste aanzien bij de CIA.

Zo mogelijk nog meer waardering was er voor de man, die in 1963 aan het hoofd kwam te staan van het Stafbureau Buitenlandse Politiek (SBP) van de BVD, een onderdeel van de BVD dat eigenlijk concurreerde met de IDB.

Oud-CIA-medewerkers worden nog lyrisch wanneer de naam van SBP-hoofd Ad de Jonge valt. Hij stond bekend als een unieke persoonlijkheid, 'the brains of the BVD' en 'by far the most intellectual in the BVD'.

Rustige omgeving

Den Haag gold echter niet als de meest opwindende CIA-post in de wereld. Station-chief Carleton Swift Jr., die in 1973 in Den Haag arriveerde, beschouwde de liaison met de Nederlandse diensten als een boiled-plate agreement: van Nederlandse zijde werden vrijwel automatisch alle inlichtingen overgedragen waarvan het vermoeden bestond dat de CIA ze kon gebruiken.

Swift had een ruime staat van dienst met onder meer stationeringen in Kanton (Guangzhou) en Vietnam aan het eind van en kort na de Tweede Wereldoorlog en Irak ten tijde van de militaire staatsgreep in 1958 tegen koning Faisal II. Later werkte hij bij de opwindende Division D van het CIA-hoofdkwartier, waar hij opereerde met de zogenoemde snelle reactieteams bij de CIA, specialisten op het gebied van communications en signals intelligence, die op korte termijn naar hotspots in de wereld werden gestuurd om daar vanuit de Amerikaanse ambassade berichtenverkeer af te luisteren.

In de rustige omgeving van Den Haag bleek Swift echter minder op zijn plaats. Hij diende niet de gebruikelijke vier jaar voor een station-chief uit, maar maakte al in juli 1974 plaats voor een van de beste Amerikaanse station-chiefs die Nederland ooit heeft gekend: Howard Bane, die van juli 1974 tot augustus 1977 de CIA-post in Den Haag aanvoerde onder de diplomatieke dekmantel van 'attache'.

Bane had zijn sporen verdiend in Azie en Afrika, met als laatste posting Kenia. Hij was een echte operateur en hij zag er daarom tegen op van Nairobi naar Den Haag te verhuizen, temeer daar hem aanvankelijk opwindender steden waren beloofd als Beiroet en Athene.

Tot overmaat van ramp kreeg hij tijdens een tussenstop in Langley nauwelijks instructies voor zijn nieuwe werkterrein, omdat de Benelux-desk van de CIA geen tijd voor hem had.

Het was de periode waarin de Amerikaanse senator Church en zijn commissie een onderzoek naar misdragingen van de CIA instelden en alles wilden weten over de moord op Lumumba in het voormalige Belgisch Congo. Een gesprek met het hoofd van de West-Europese afdeling van de CIA had wel plaats, maar bood weinig houvast. Bane kreeg daar te horen dat hij zich maar niet te veel moest bemoeien met de IDB. Elke poging tot nadere samenwerking met de Nederlandse inlichtingendienst was 'useless' en 'worthless'. De International Herald Tribune zou een betere bron van informatie zijn dan de rapporten van de IDB.

Dat Bane kon beschikken over een staf van acht tot tien medewerkers plus twee verbindingsspecialisten was opmerkelijk. Het was onduidelijk waarom Langley deze uitbreiding nodig had gevonden onder het kabinet-Den Uyl. In de jaren vijftig en zestig had de CIA namelijk goede ervaringen opgedaan juist in de contacten met PvdA'ers, die regelmatig op de Amerikaanse ambassade of bij medewerkers thuis rapporteerden over politieke ontwikkelingen. Meer dan vertegenwoordigers van andere partijen hadden zij oog voor de noodzaak van de bestrijding van communisten. Dat gold voor voormannen als Frans Goedhart en Jacques de Kadt, die zelf ooit sympathie voor het communisme hadden gekoesterd, evenzeer als voor de internationale secretaris van de PvdA, Alfred Mozer. Echte recruteringspogingen waren dan ook nooit nodig geweest ten aanzien van PvdA'ers.

Toen een individuele medewerker van de CIA in 1981 toch overging tot de aanwerving van een Tweede-Kamerlid van de PvdA veroorzaakte dat 'a big stink', zoals een ex-CIA-medewerker verklaarde.

De betrokken CIA-man werd weliswaar niet officieel persona non grata verklaard, maar op instigatie van de BVD werd hem wel te verstaan gegeven dat hij maar beter kon vertrekken. Oud-collega's veroordelen zijn optreden, 'a stupid fucking thing to do', nu nog in krasse bewoordingen en noemen hem 'a damn, damn fool'.

Als de CIA al wantrouwen koesterde jegens het kabinet-Den Uyl, dan bestonden er overigens omgekeerd bij de BVD en de IDB aanvankelijk bedenkingen tegen haar Nederlandse vertegenwoordiger Bane. De Nederlandse diensten vreesden dat de nieuwe station-chief zijn operationele ervaring in Azie en Afrika ook in Nederland in de praktijk zou brengen. Ondanks zijn korte introductie in Langley had Bane echter wel begrepen dat Den Haag in beginsel louter een liaison-post was en Nederland geen operatieterrein. En anders was er altijd nog het hoofd van de BVD, dat na enkele ongelukkige ervaringen in het verleden, er een gewoonte van had gemaakt station-chiefs kort na hun aankomst voor te houden dat de CIA zonder zijn medeweten in Nederland geen operaties mocht uitvoeren.

Het was ook eigenlijk niet nodig. Bane en andere station-chiefs hadden een hoge dunk van de mate van penetratie van de BVD in de CPN, andere linkse organisaties en de vakbeweging. Oud-CIA-medewerkers beweren stellig dat behalve het NVV ook het CNV in die jaren door de Nederlandse veiligheidsdienst was gepenetreerd. De CIA beperkte zich voornamelijk tot de uitwisseling van rapporten en technische bijstand bij het plaatsen van afluisterapparatuur door de BVD in de ambassades van het Oostblok, China en Cuba in Den Haag.

Van de saaiheid van de Nederlandse residentie zou Bane weinig merken. Twee maanden na zijn aankomst, op 13 september 1974, bestormden drie gewapende leden van het Japanse Rode Leger de Franse ambassade in de hofstad.

De ambassadeur en tien anderen werden gegijzeld. De gijzelnemers eisten de vrijlating van hun leider, de in Parijs gevangen zittende Yutaka Furuya.

Bane en zijn medewerkers richtten op de bovenste verdieping van de Amerikaanse ambassade aan Het Lange Voorhout een crisiscentrum in. Vanaf die etage hadden zij uitzicht op de Franse ambassade. Er werd een camera opgesteld die was gericht op de werkkamer van de Franse ambassadeur. Ook gebruikte de CIA richtapparatuur om gesprekken in de Franse ambassade af te luisteren.

Slaapmiddelen

Direct na de bezetting stelde Bane de benedenverdieping van de Amerikaanse ambassade ter beschikking van de BVD, de politie en het Korps Mariniers. Een speciaal team van de Franse inlichtingendienst DGSE, dat werd overgevlogen naar Nederland, vond daar eveneens een onderkomen.

Gedurende de vijf dagen durende gijzeling verstrekte Bane veel informatie uit Langley aan de BVD. Technische ondersteuning kon hij bieden in de vorm van afgeluisterd berichtenverkeer en satellietinlichtingen. Toen de BVD niet in staat bleek met behulp van het afgetapte telefoonverkeer op korte termijn de telefoonnummers in het Midden-Oosten te traceren die de bezetters belden, bracht de CIA uitkomst. Binnen enkele uren was duidelijk wie er achter de bezetting zaten.

Er werden door de Nederlandse autoriteiten, die toentertijd nog nauwelijks bekend waren met het fenomeen terrorisme, destijds diverse bevrijdingsscenario's besproken. Zo werd overwogen om gas in het gebouw te verspreiden via het airconditioningsysteem. Een andere mogelijkheid was om slaapmiddelen in het eten van de bezetters te doen. Een probleem was overigens wel dat de Japanners zestig uur lang geen voedsel en dertig uur lang geen drinken accepteerden.

In een zogeheten critic een telegram waarop binnen een etmaal een reactie wordt verwacht consulteerde Bane Langley over de plannen. In een pagina's lang antwoord ontraadde de CIA dit soort acties. Het risico dat de bezetters er voortijdig iets van zouden merken en gijzelaars zouden doden was te groot. Het toenmalige BVD-hoofd, A. Kuipers, en het hoofd Operaties van die dienst, G. Neervoort, hebben dit advies voorgelegd aan Den Uyl, waarna de premier besloot deze plannen af te gelasten.

De gijzeling eindigde uiteindelijk op 17 september. De gijzelnemers kregen toen een losgeld van 300.000 dollar en een vrijgeleide naar Schiphol, waar zij samen met de vrijgelaten Furuya konden instappen in een gereedstaande Boeing 707, die hen uiteindelijk naar Damascus bracht.

De CIA-steun werd door het Nederlandse kabinet zeer gewaardeerd en de toch al innige relaties van de CIA-post in Den Haag met de BVD werden er nog hechter door. De bezetting van de Franse ambassade was de eerste van vijf terroristische acties in Nederland waarbij Bane betrokken zou zijn. Er volgden vier Molukse acties: de treinkaping in Wijster in december 1975 de gelijktijdige Molukse bezetting van het Indonesische consulaat in Amsterdam, de treinkaping in De Punt en de bezetting van een lagere school in Bovensmilde in mei en juni 1977. Bij deze gijzelingen stond de CIA speciale afluisterapparatuur af, die de Amerikaanse dienst samen met de Britten en Duitsers had ontwikkeld.

In het consulaat in Amsterdam werd afluisterapparatuur aangebracht in de muren van de ernaast gelegen panden en via die woningen eveneens in de vloeren en plafonds van het consulaat. Toen er op een nacht schoten vielen, dachten de geschrokken autoriteiten aanvankelijk aan een executie, maar dankzij opgevangen flarden van nerveuze gesprekken van de Molukkers werd al spoedig duidelijk dat een van hen zijn pistool had laten vallen, dat daarbij was afgegaan.

Hierdoor kon worden voorkomen dat op een minder gelukkig moment werd ingegrepen.

Bij de treinkapingen in Wijster en De Punt leverde de CIA, die toen technici uit Langley liet overkomen, apparatuur die werd geinstalleerd door mariniers en Britse specialisten, nadat eerst Den Uyl het materiaal had mogen bekijken. Behalve aan de buitenkant van de trein werd ook afluisterapparatuur de trein binnengesmokkeld. Toen Molukse treinkapers op een gegeven moment om Coca Cola vroegen, zochten de CIA en de BVD heel Nederland af naar een houten krat waarin de apparatuur zou kunnen worden geplaatst. Helaas bleken er nog slechts plastic kratten in omloop te zijn. Later lukte het toch via de bevoorrading van de trein een groot aantal zendermicrofoons de trein in te smokkelen, zodat zelfs het wc-bezoek van de Molukkers kon worden getraceerd.

Diplomatieke rel

De verhoudingen werden zelfs zo goed dat de BVD, die tot dan toe huiverig was geweest tegenover eigen CIA-operaties, oogluikend toestond dat de CIA onder Oost-Europese diplomaten in Nederland ging recruteren.

Zelfs de traumatische herinnering aan een onfortuinlijk afgelopen afspringoperatie tien jaar tevoren, in 1966, stond dit niet meer in de weg. Toen had de Chinese lastechnicus Hsu Tzu-tsai, die in Nederland verbleef voor een internationaal congres, uitgelokt door de CIA gepoogd over te lopen, maar bij zijn ontsnapping uit een raam van een gebouw van de Chinese legatie was hij ernstig ten val gekomen. Nadat vervolgens Chinese diplomaten hem hadden ontvoerd uit het ziekenhuis, waarheen hij was overgebracht overleed hij. Er volgde toen een maandenlange diplomatieke rel, die de geschiedenis inging als de Chinese lassersaffaire.

Ook van de kant van de CIA was de omschakeling op unilaterale operaties opmerkelijk omdat de dienst, zoals een van zijn medewerkers zei, geleerd had dat de nadelen daarvan niet opwogen tegen de wrijving die ontdekking door de BVD veroorzaakte. Enig ongemak veroorzaakte dan ook de aanwerving van een Sovjet-agent door de CIA in Nederland. Kuipers, die door de station-chief slechts in vage termen over een niet nader te identificeren recrutering was ingelicht, wilde daarover meer weten, maar de CIA beriep zich op grote gevoeligheid om geheimhouding in acht te nemen. De Russische agent van de CIA keerde na enige tijd terug naar Moskou, vanwaar hij de Amerikaanse dienst nog steeds van hoogwaardig materiaal voorzag. Tot verbazing van de CIA sprong deze man echter eind jaren zeventig af naar de BVD, die bij zijn debriefing vernam dat deze Rus enkele jaren tevoren het object van zoveel CIA-geheimzinnigheid was geweest.

Het was slechts een klein smetje op de goede verhoudingen van de CIA met de BVD ten tijde van het kabinet-Den Uyl. Hoe goed die waren, bleek kort na de moord in december 1975 op Richard Welch CIA-station-chief in Athene. De op het ministerie van Algemene Zaken werkzame coordinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten Kruimink toonde zich toen zeer bezorgd over het lot van Bane, die maar net een stationering in de Griekse hoofdstad was misgelopen. Kruimink zorgde er persoonlijk voor, zonder Bane daarin te kennen, dat de station-chief bewaking kreeg van de Haagse gemeentepolitie. De professional Bane bemerkte dat echter al snel, doordat de Volkswagen die hem volgde in de stad niet harder reed dan vijftig kilometer en dat was, zo had de Amerikaan inmiddels geleerd, in Nederland ongebruikelijk.

Uiteindelijk bleken dus de betrekkingen van de CIA met Nederland onder Den Uyl warmer dan zich aanvankelijk had laten aanzien. De ideologisch zo sterk overkomende Den Uyl kon het beter vinden met de bestaande machten dan men verwacht zou hebben, of het nu de grote oliemaatschappijen waren tijdens de oliecrisis, de monarchie ten tijde van de Lockheedaffaire, of de CIA in een periode van kapingen en gijzelingen. Den Uyl zou, anders dan zijn Britse en West-Duitse ambtgenoten, dan ook niet struikelen over de geheime diensten.