Goede strategie, verloren slag; ROMEINSE GRAND STRATEGY WERKTE ONDANKS VERLIES TEGEN GOTEN

De Laat-Romeinse militaire strategie van zwakke grenstroepen en een snel inzetbare sterke centrale legermacht was effectief. Het bloedige verlies van de slag bij Adrianopolis in 378 doet daar niets aan af.

DE ZWAARSTE nederlaag sinds die tegen Hannibal bij Cannae. Zo omschreef de vierde-eeuwse geschiedschrijver Ammianus Marcellinus de nederlaag van het Romeinse leger bij Adrianopolis tegen de Goten in 378. Tweederde van het ongeveer 18.000 man sterke leger was gesneuveld of gevangen genomen en of dat nog niet genoeg was hoorde ook Valens, de keizer van het Oostromeinse rijk, tot de gesneuvelden.

Dezelfde slag is voor oudhistoricus Martijn Nicasie juist het bewijs van het strategisch meesterschap van het Romeinse leger in de vierde eeuw na Christus. 'De slag ging verloren door tactische fouten', zegt hij. 'Maar de strategie erachter werkte wel degelijk.' Twilight of Empire, de recent verschenen handelseditie van zijn proefschrift, is dan ook een pleidooi voor eerherstel van de Romeinse legioenen in de vierde eeuw.

Sinds de grote oudhistoricus Mommsen eind vorige eeuw is het gewoonte geweest om te zeggen dat het met het Romeinse leger, net als met de rest van het rijk, in de loop der eeuwen alleen maar achteruit is gegaan. Tactisch en strategisch inzicht verdween, de discipline werd minder, de wapenuitrusting van de infanterie ging achteruit, te veel 'barbaren' werden in het leger opgenomen, kortom de Romeinse legioenen onderscheidden zich op den duur nauwelijks nog van zootjes ongeregeld als de Germanen en Goten of wie ook maar de rijksgrenzen bedreigden.

In 1976 deed de buitenstaander E.N. Luttwak de oudhistorici daarom versteld staan. De Amerikaanse strategisch analist, die zich bezighield met de strategieen van de supermachten Amerika en Sovjet-Unie, opperde dat de Romeinen vanaf de vierde eeuw dezelfde strategie gebruikten als de NAVO: in-depth-strategy.

In een zone langs de grenzen waren volgens Luttwak kleine eenheden gestationeerd die een binnenvallende vijand moesten ophouden, om zo een van de drie grote veldlegers, die in Italie, Gallie of de Orient hun standplaats hadden, de tijd te geven naar het probleemgebied te trekken en de vijand terug te drijven.

De Grand Strategy, zoals Luttwak hem noemde, betekende een breuk met een eeuwenoude traditie. Vanaf de eerste keizers tot in de derde eeuw lagen met uitzondering van de Praetoriaanse garde in Rome, bijna alle troepen in grote legioenen van vijfduizend man aan de grenzen. Als er ergens een grote strijd geleverd moest worden, haalden de Romeinen de benodigde troepen weg bij de grenzen waar ze hoopten en verwachtten dat het rustig zou blijven.

Dat ging meestal goed, behalve in de derde eeuw na Christus, die een aaneenschakeling was van onderlinge strijd, oorlogen en invallen van vreemde volkeren. Die profiteerden van de afwezigheid van de Romeinse troepen en hadden in grote delen van het rijk vrij spel. De nieuwe strategie, die dergelijke plundertochten in de toekomst moest voorkomen, werd in gang gezet door Diocletianus, die in 284 keizer werd en het rijk reorganiseerde. De vierde-eeuwse keizer Constantijn komt de eer toe de strategie, die gepaard ging met een reorganisatie van het leger, te hebben vervolmaakt, aldus Luttwak.

Vele oudhistorici hebben de Grand Strategy een mislukking genoemd, die paste in de algemene neergang. De communicatiemogelijkheden van die tijd, zo beweerden zij waren veel te slecht om de strategie ooit tot een succes te kunnen maken. Anderen deden het idee van Luttwak zelfs af als onzin. De Romeinen hadden volgens hen nooit een concept als dat van de Grand Strategy kunnen bedenken.

Daarvoor was de Romeinse kennis van geografie en cartografie te beperkt. De vorming van een centraal veldleger, waarvoor troepen van de grenzen werden gehaald, was in hun ogen slechts bedoeld om de positie van de keizer te versterken. Veel kritiek had waarschijnlijk te maken met het feit dat Luttwak geen oudhistoricus was, aldus Nicasie die zich in grote trekken in Luttwaks theorie kan vinden.

Nicasie had in zijn jeugd al interesse voor oorlogvoeren. Zijn helden heetten Caesar en Napoleon en met soldaatjes bootste hij veldslagen na. Dat doet hij nog steeds, want hij is lid van een Wargames-vereniging. De oud-historicus behoort tot de generatie jonge wetenschappers, die na hun aio-schap voor de keuze komen te staan: proberen met beurzen of post-doc-plaatsen verder te gaan met wetenschap, of omscholen en ander vast werk zoeken. Nicasie, die al voordat hij aan zijn promotie begon wist dat er voor hem aan de Rijksuniversiteit Leiden na afloop geen baan zou zijn, koos voor het laatste. Hij werkt tegenwoordig als technisch consultant bij een automatiseringsbedrijf. 'Ik had al eerder voor een vaste baan kunnen kiezen, maar vond het toch mooi om een paar jaar wetenschap te bedrijven. Ik heb geen spijt van mijn keuze', zegt hij.

In zijn helder geschreven boek laat hij zien dat het vierde-eeuwse Romeinse leger nog steeds op en top Romeins was. De legioenen werden kleiner (1.000 a 1.200 man) en het aantal van oorsprong niet-Romeinse soldaten nam toe, maar de voertaal was en bleef Latijn, de officieren waren Romeins of sterk verromaniseerd, de wapens en wapenrusting waren Romeins, de soldij werd uitbetaald in harde Romeinse munten en de manier van oorlogvoeren bleef ook Romeins: de zwaarbewapende infanterie was nog steeds de ruggegraat van het leger.

Het leger haalde ook in de vierde eeuw vaker wel dan niet een sprankelende overwinning, zoals die van Julianus op de Alamannen in de slag bij Strasburg in 357.

Nicasie ziet ook geen reden om aan een Grand Strategy voor de verdediging van het rijk te twijfelen. Het uitgebreide wegennet maakte het mogelijk snel genoeg te reageren op vijandelijke invallen. De Romeinen mogen geen meesters in de cartografie zijn geweest, ze waren wel zo praktisch ingesteld dat ze benul hadden van afstanden. Verder valt het op dat de forten langs de grenzen van aanzien veranderen. Vanaf het einde van de derde eeuw maakten de versterkte marskampen plaats voor kleine vestingen met stevige torens, die langere tijd verdedigd kondenb worden. Ook de steden in de grensgebieden worden voorzien van verdedigingswerken om aanvallen te kunnen afslaan. Voor Nicasie aanwijzingen genoeg om aan te nemen dat aan de grenzen alles werd gericht op het zolang mogelijk ophouden van een binnenvallende vijand.

De slag bij Adrianopolis en wat er aan voorafging is volgens hem juist een mooi voorbeeld dat de strategie werkte. In 376 zochten grote groepen Goten, op de vlucht voor de oprukkende Hunnen, hun toevlucht in het Romeinse rijk. De Romeinen die ter plekke geen grote legermacht hadden om hen tegen te houden, gaven hun toestemming zich in Thracie te vestigen. Kort daarop ontstond een voedseltekort en omdat de Romeinen hen niet wilden helpen, kwamen de Goten in opstand. Op zoek naar voedsel verspreidden ze zich in kleinere groepen, waardoor ze doelwit werden van verrassingsaanvallen van de Romeinse grenseenheden. Tegelijkertijd trokken de keizers Gratianus en Valens met hun veldlegers respectievelijk uit het Westen en Oosten naar het gebied om de opstand de kop in te drukken.

Begin augustus arriveerde Valens bij Adrianopolis, waar de Goten hun kamp hadden opgeslagen. Valens besloot niet te wachten op Gratianus, die onderweg was opgehouden door schermutselingen met andere volkeren, en viel aan. De Gotische cavalerie, op het moment van de aanval afwezig, verscheen tussentijds op het strijdtoneel en viel de Romeinen in de flank aan. Hierdoor ontstonden paniek en wanorde, met de bekende noodlottige gevolgen.

Ondanks het verlies werkte de strategie: de Goten zijn niet met geweld het rijk binnengedrongen en de grenstroepen hebben hen net zo lang opgehouden tot het veldleger gearriveerd was. Ook na de slag drongen de Goten niet verder het Romeinse rijk binnen. Vier jaar later sloot Valens' opvolger Theodosius met hen een bestand. Nicasie's conclusie: 'Uit militair oogpunt was in 378 niet te verwachten dat honderd jaar later een einde zou komen aan het Westromeinse rijk.'