FOUT!; Zittingen van het Medisch Tuchtcollege zijn nu openbaar

Sinds een aantal maanden zijn de zittingen van het Medisch Tuchtcollege openbaar. De wetgever hoopt daarmee de onderonsjes van medici in het tuchtcollege te doorbreken. De toenemende bemoeienis van de juristen maakt de artsen onzeker: elk telefoontje is een potentiele klacht. 'Het tragische van ons vak is, dat uiteindelijk niets helpt.'

De vader van mevrouw Berens werd een dag na Nieuwjaar ziek. Hij was benauwd en moest hoesten. Hij kreeg poeders van zijn huisarts. Op 4 januari was mevrouw Berens bij hem, hij was op en maakte grapjes. Drie dagen later lag hij op bed. Hij had het vreselijk benauwd. In paniek belde ze - buiten het spreekuur - de vervangende huisarts Van B. met het verzoek om te komen kijken. “Ho ho ho, met wie denkt u wel dat u spreekt', klonk het aan de andere kant van de lijn.

Acht maanden later zit ze tegenover Van B. in de wachtruimte voor de Huysingazaal van de rechtbank in Amsterdam waar het Regionaal Tuchtcollege zittingen houdt. Zij met haar man, hij met zijn advocaat. Hij kijkt haar niet aan en zij hem niet. Ze is een beetje zenuwachtig, bang dat ze tijdens de zitting in tranen zal uitbarsten. De dood van haar vader is nog te vers. Daarom zijn haar moeder en zussen ook niet meegekomen. Als ze “die smoeltjes' in de zaal zou zien zitten, zou ze het helemaal niet houden. Maar ze is hier voor haar vader die zo sterk was en nooit ziek en die ene keer dat hij hulp nodig had die hulp niet kreeg.

Sinds juni van dit jaar zijn de hoorzittingen van het Medisch Tuchtcollege openbaar. De Hoge Raad oordeelde in 1992 dat de beslotenheid van de zittingen in strijd was met artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). In de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (Wet BIG) die sinds 1 december 1997 de Medische Tuchtwet vervangt, staat dat de zittingen van de regionale Tuchtcolleges (RTC) openbaar moeten zijn, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om de deuren te sluiten. De nieuwe wet breidt het tuchtrecht uit naar verpleegkundigen, fysiotherapeuten, psychotherapeuten en gezondheidspsychologen.

Het college kan een waarschuwing opleggen een berisping, een geldboete van maximaal tienduizend gulden, een schorsing van maximaal een jaar, of ontzegging van het uitoefenen van het beroep.

Mevrouw Berens doet voor het college van het RTC - een voorzitter, twee artsen en een secretaris - verslag van de telefonische conversatie die zij op 7 januari van dit jaar had met huisarts Van B.. “Ik zei: u bent toch de vervangende arts? Hij antwoordde: Ja, u zegt het goed, de vervangende arts. Ik kom alleen voor noodgevallen. Ik zei: Maar u bent toch dokter? Dan moet u toch komen? Hij antwoordde: Ho, ho, gaan we beledigend worden?'

Het gesprek ontaardde in ruzie, waarbij Van B. mevrouw Berens er op wees dat zij zelf “wat beter moest letten op haar ouders'. Mevrouw Berens werd zo woedend dat ze de hoorn erop smeet. “Dat was het stomste wat ik had kunnen doen', zegt ze achteraf.

De volgende ochtend was de toestand van haar vader verslechterd, de vaste huisarts die weer dienst had, kwam. Vader had een ernstige longontsteking en vernauwde bloedvaten en moest meteen aan de beademing in het ziekenhuis. Een week later was hij dood. Van huisarts Van B. heeft mevrouw Berens niets meer gehoord. “Ik beweer niet: die man heeft mijn vader vermoord', zegt ze. “Maar ik neem hem wel kwalijk dat hij er niet was toen we hem nodig hadden. Hij bleef maar ruzien aan de telefoon. Hij heeft niet eens gevraagd of mijn vader koorts had.'

“Tsja', zegt de voorzitter, U.W. baron Bentinck, een man met witgrijs haar die in het dagelijks leven strafrechter is. Huisarts Van B. kijkt strak voor zich uit. Tegen het emotionele optreden van mevrouw Berens steekt het verweer van zijn advocate vlak af.

Zij is een jonge vrouw met rode vlekken in de nek van de zenuwen. Ze zegt dat “mevrouw in het telefoongesprek niet de indruk gaf dat het ging om meer dan een verkoudheid'. Wel zegt zij dat Van B. het “erg jammer' vindt dat het zo gelopen is. Als het gesprek niet was ontaard in ruzie, was hij zeker gekomen.

Op de vraag van de voorzitter waarom Van B. niks heeft laten horen na het overlijden van de vader van mevrouw Berens, luidt het antwoord dat hij niet wist dat hij was overleden omdat zijn collega hem dat niet had verteld. In zijn laatste woord zegt Van B.: “Ik heb hier lering uit getrokken. Ik hoop van ganser harte dat het niet meer zal voorkomen.'

Afgelopen dinsdag, zeven weken na de zitting, wijst het Tuchtcollege de klacht van mevrouw Berens af. Wel wordt een kanttekening aan het dossier toegevoegd waarin staat dat arts Van B. in het vervolg zorgvuldiger moet handelen. Dit kan meewegen bij de behandeling van een eventuele volgende klacht die tegen hem wordt ingediend.

Beschadigd

Op de beslotenheid van de zittingen van het Medisch Tuchtcollege is jarenlang kritiek geweest. De medici zouden elkaar de hand boven het hoofd houden. Met de openbaarheid van de zittingen komt er gelukkig een eind aan dat vooroordeel,zegt huisarts J.M. Witmer, tevens lid van het hoofdbestuur van de artsenorganisatie KNMG. Maar aan de openbaarheid zit volgens hem ook een nadeel. “Het is vreselijk voor een arts om als verdachte in de krant te staan. Ook als het RTC de klacht ongegrond acht raakt hij beschadigd.'

De openbaarheid van de zittingen past in de algemene trend van emancipatie van patienten en de juridisering van het artsenberoep van de laatste jaren. De ongeschreven normen die golden voor omgang met patienten hebben plaatsgemaakt voor wettelijke regels.

In de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) die in 1995 in werking trad, staan de rechten van de patient nauwkeurig omschreven. Voor een behandeling moet de arts aan de patient toestemming vragen, hij moet uitleggen wat de aard en het doel ervan is en hij moet wijzen op de risico's. Ook moet hij uiteenzetten wat de alternatieven zijn voor de behandeling. De patient is geevolueerd van hulpeloze vrager tot mondige 'opdrachtgever'.

Advocaat A.J.P. Van Beurden van het Utrechtse kantoor Benthem en Keulem, gespecialiseerd in tuchtrecht, maakte mee dat een regionale krant de naam van een aangeklaagde arts publiceerde. Hij is niet blij met de openbaarheid van de zittingen. “In het Medisch Tuchtrecht ontbreekt de zeef van de officier van justitie die bepaalt of een verdachte wel of niet moet worden vervolgd.' Het merendeel van de klachten bij het RTC wordt afgewezen. Van de 105 klachten die in 1997 in een zitting werden behandeld, werden er 67 afgewezen. Van Beurden: “Maar dan is de naam van de aangeklaagde al beschadigd.'

Het aantal klachten bij de Regionale Tuchtcolleges neemt toe. In Amsterdam waren er vorig jaar oktober 198 klachten binnengekomen, vorige maand waren het er al 261. In 1993 waren er 242 klachten, in 1997 281. Bij alle tuchtcolleges betreffen de meeste klachten huisartsen. Het niet afleggen van een visite door een huisarts is een veel gehoorde klacht, evenals het niet tijdig doorverwijzen, onvoldoende uitwisseling van informatie en onheuse bejegening.

Aangeklaagd worden is de nachtmerrie van iedere arts. Artsen die zijn aangeklaagd, zijn huiverig om daarover te praten. Bij de Amsterdamse rechtbank spoeden ze zich na de hoorzittingen naar buiten.

Huisarts Jan van Rooy die samen met een collega een praktijk heeft in Maastricht met vijfduizend patienten, was wel bereid om te praten. Zijn praktijk kreeg de afgelopen zeven jaar vijf klachten die alle ongegrond werden verklaard. “Gegrond of niet, een klacht vreet aan je maakt je onzeker en ontwricht je gezinsleven', zegt hij in zijn spreekkamer.

De eerste klacht betrof een patient die wilde dat hij een pleister kwam verschonen. Het gezin dat de klacht indiende was analfabeet. 'Dokter niet pleister plak' stond in hun brief aan het tuchtcollege. Van Rooy: “Ik had gezegd dat ze voor het verwisselen van het verband het Groene Kruis moesten inschakelen, maar dan moesten ze honderd gulden betalen voor het lidmaatschap en dat wilden ze niet. Maar als ik dienst heb, krijg ik in 24 uur zestig telefoontjes. Niet alle problemen zijn door de huisarts op te lossen.'

Hij toont een andere brief van een man die rugpijn had en een scan wilde. “De nimmer aflatende pijn in mijn rug drijft mij voort', staat er. Van Rooy meende dat een scan niet nodig was, maar raadpleegde voor de zekerheid een orthopeed en een neuroloog. Ook zij vonden een scan niet nodig, toch diende de man een klacht in. Van Rooy: “Ik wist dat mij niets verweten kon worden, maar ben met die klacht toch zes maanden bezig geweest.'

Vroeger bestonden de colleges uit een voorzitter, een secretaris-jurist en vier beroepsgenoten. In de nieuwe samenstelling volgens de wet BIG is een van de vier beroepsgenoten vervangen door een jurist. Voor een goede beroepsuitoefening vindt Van Rooy een tuchtcollege onmisbaar, maar de steeds juridischer aanpak staat volgens hem haaks op de praktijk van alledag van een arts.

“Ze doen alsof een en een twee is. Maar omstandigheden zijn altijd verschillend. Je moet van alles bewijzen, maar het probleem is dat er niet altijd iets te bewijzen valt.' 'Kennelijk ongegrond' luidde het oordeel van het college over de klacht van de man met rugpijn. Het is een juridische term die Van Rooy niet bevalt. “Kennelijk? Wat nou kennelijk? Ik heb potverdomme twee specialisten om hun mening gevraagd.'

Van de circa tachtig mensen die dagelijks in Van Rooys praktijk langskomen, kunnen er volgens hem 25 zo een gegronde klacht indienen. “Je kunt altijd meer doen dan je doet. Maar het probleem is dat pas achteraf blijkt, of wat je doet voldoende is.' Een tijdje geleden kwam een vrouw in de praktijk die last had van bloedingen en daarom van anticonceptiepil wilde veranderen. Bloedingen komen vaak voor bij pilgebruiksters. Maar deze bloedingen gingen niet over. Bij het tweede consult constateerde Van Rooy bij een inwendig onderzoek baarmoederhalskanker. “Als zij kwaad had gewild, had ze een klacht kunnen indienen omdat ik bij het eerste consult geen inwendig onderzoek heb gedaan. Maar evengoed kun je een klacht krijgen omdat je wel inwendig onderzoek doet terwijl daar geen dwingende reden voor is.'

Spoedoperatie

De heer Mansori, een werkloze productiemedewerker uit Utrecht, vertelt voor het vierkoppige college van het RTC in gebrekkig Nederlands dat hij op 2 september van vorig jaar pijn kreeg in zijn buik. Hij heeft een klacht ingediend tegen huisarts J. uit Utrecht die een huisbezoek weigerde. De arts vond dat Mansori langs moest komen in de praktijk, een paar honderd meter verderop. “Hoe kon ik dat doen', zegt Mansori, “ik rolde over de grond van de pijn.' Zijn schoonzus belde drie keer, de huisarts hield vol dat hij naar de praktijk moest komen.

De volgende dag belandde Mansori in het ziekenhuis voor een spoedoperatie wegens een blindedarmontsteking.

Was het voor u niet alarmerend dat de schoonzuster van mijnheer Mansori een tweede en een derde keer belde vraagt de voorzitter. Huisarts J. houdt zijn handen stevig ineen geklemd. “Nee', antwoordt hij, “want het verhaal bleef hetzefde: buikklachten. Die kan ik beter behandelen in mijn praktijk omdat ik daar meer onderzoeksmiddelen heb.'

“Welke dan', vraagt een arts, lid van het college.

“Meer middelen', antwoordt de huisarts.

“Dat begrijp ik, maar welke middelen?'

“Ik heb in mijn praktijk meer mogelijkheden.'

“Wilt u ons vertellen welke dat zijn?'

Na lang aandringen komt het hoge woord er uit: huisarts J. had in zijn praktijk niet aantoonbaar meer middelen om meneer Mansori te behandelen.

Tegen de huisartsenpraktijk van dokter J. lopen meer klachten vertelt advocaat C.A. Jonkers uit Utrecht. Hij behandelt er in totaal drie. In zijn kantoor zit hij de zaak voor te bereiden van de Turk S. Tat tegen een huisarts die met J. samenwerkt. Tat meent dat Van der K. medeschuldig is aan de dood van zijn vader. Hij vertelt dat hij hem in februari van dit jaar 's nachts belde met het verzoek te komen kijken omdat zijn vader hevige buikpijn had. Na lang aandringen kwam Van der K.. Zijn diagnose was een niersteenaanval en hij gaf een spuitje tegen de pijn. Het hielp niet.

Zijn zoon belde de huisarts weer en zei dat hij bang was dat zijn vader dood ging. De arts kwam opnieuw. Hij bleef bij zijn eerdere diagnose, maar was wel bereid om het ziekenhuis te bellen voor een opname. Daarna vertrok hij. De ambulance kwam en vroeg vader Tat een stukje te lopen, dat is goed bij een niersteenaanval.

Vader viel flauw.

Tat belde weer de huisarts. Op verzoek van het ambulancepersoneel kwam hij opnieuw. Maar vader Tat was inmiddels overleden aan een interne bloeding. “Waarom heeft hij mij niet meteen serieus genomen', vraagt Tat. “Ik heb zo hard mijn best gedaan om hem ervan te overtuigen dat de situatie ernstig was.'

De procedure bij een tuchtcollege kan een opstapje zijn voor een civiele procedure. Met een veroordeling van een tuchtcollege in de hand, is er bij een civiele rechter meer kans op een schadevergoeding. Daarom zijn steeds meer advocaten bereid om klagers bij te staan in procedures tegen een aanvankelijk magere vergoeding. Volgens advocaat D.J. Rutgers, die bij advocatenkantoor Houthoff aangeklaagde artsen verdedigt, is het 'claimbewustzijn' de laatste tijd sterk toegenomen. “Het beginsel in ons rechtssysteem is dat iedereen zijn eigen schade draagt. Maar dat principe is steeds minder vanzelfsprekend. Tegenwoordig moet er automatisch iemand boeten als er iets mis gaat.'

Advocaat G. Engelgeer opende onlangs een site op Internet waar patienten hun klachten over artsen kunnen beschrijven. Hij is van plan een 'zwarte lijst' bekend te maken met namen van artsen over wie klachten binnenkomen. Advocaat Jonkers heeft de schadetrend ook gemerkt. Vroeger was hij als pro deo-advocaat eenzaam in het verdedigen van patienten met schade. Door de mentaliteitsverandering maar ook door wetgeving zoals de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) waarin de rechten van patienten nauwkeurig staan omschreven, zijn er nu talloze advocaten die met letselschadezaken hun brood verdienen. Hoewel de bedragen nog niet zo hoog zijn als in de Verenigde Staten, lopen ze toch aardig op.

Een ontsierend litteken 'doet' al snel zo'n veertigduizend gulden, een totale dwarslaesie kan meer dan 110.000 gulden opleveren.

De druk op de beroepsuitoefening wordt steeds groter, zegt huisarts Witmer. Alles dat misgaat in de maatschappij komt op het bordje van de huisarts. De tendens om patienten uit het ziekenhuis te houden terwijl er te weinig mankracht is in de thuiszorg gebroken gezinnen, allochtonen die moeilijk kunnen wennen in Nederland. Omdat mensen steeds ouder worden en Nederland vergrijst, neemt het aantal consulten per patient per jaar toe.

Door de vooruitgang van de medische wetenschap van de afgelopen vijftig jaar, zijn de eisen van patienten steeds harder geworden. Ziek worden past niet in het moderne leven, niet (snel) beter worden lijkt onacceptabel. “Vroeger zeiden patienten: 'u moet beslissen, u bent de dokter'. Tegenwoordig willen ze de behandeling die zij in hun hoofd hebben.' Een patient met diarree die antibiotica wil, terwijl de arts vindt dat het met twee dagen rust ook wel over gaat. Of patienten die per se naar de fysiotherapeut willen.

Witmer: “Ze zeggen: 'ik heb het recht om behandeld te worden'. Maar dat is niet de vraag. De vraag is of het nodig is.' Witmer vindt het goed dat de hoorzittingen van het Medisch Tuchtcollege openbaar zijn, al was het alleen maar om het vooroordeel van het 'onderonsje' weg te nemen. Maar het mag geen volkstribunaal worden waar artsen te kijk worden gezet. Hij vreest de dag dat tv-camera's voor de rechtszaal hun opwachting maken.

Huisarts Van Rooy vreest dat de 'poortwachtersfunctie' die de minister en de verzekeraars aan huisartsen hebben verleend, met het nieuwe tuchtrecht moeilijker wordt.

Vroeger stond in de wet dat een arts kon worden veroordeeld wegens verkeerd handelen, tegenwoordig kan ook het nalaten van een behandeling leiden tot een straf. Van Rooy: “Er ontstaat een systeem van 'de patient vraagt en wij draaien. Als de patient iets wil dat de arts niet nodig vindt, krijgt hij het toch, uit angst voor een klacht. De ziektekosten zullen daardoor verder uit de hand lopen. Ik word gebeld door mensen die zeggen dat ze in de 5 uur Show hebben gezien dat er een middel bestaat tegen botontkalking. Of ik dat maar even wil leveren.' De opvoedende werking van het tuchtrecht kan, zeker nu de zittingen openbaar zijn, averechts werken, zegt advocaat Van Beurden. Hij verdedigde onlangs een arts tegen wie een klacht was ingediend wegens het niet uitvoeren van een behandeling. De klacht werd verworpen, maar het was wel een lange en pijnlijke procesgang. “Die arts zei: reken maar dat ik die behandeling de volgende keer wel uitvoer. Om dit te voorkomen.'

De privatisering van de sociale zekerheid, waarbij werkgevers een deel van de ziektekosten voor hun rekening moeten nemen, heeft de eisen aan de gezondheidszorg ook verhoogd. Vroeger zei de dokter: 'uitzieken'. Nu zegt de baas: 'ga maar penicilline halen'.

Juridisch denken

Artsen gaan steeds juridischer denken, zegt Witmer. “Bij sommige patienten moet ik goed opletten wat ik in het dossier zet. Precies omschrijven wat wel en wat niet is afgesproken. Als dokter zit je niet meer naast, maar tegenover je patient.' Van Rooy: “Ik heb een collega die tijdens de dienst al zijn telefonische consulten opneemt met een taperecorder. Zo wil ik mijn vak niet uitoefenen.' De nieuwe eisen aan medici vergen ook veel tijd.

“Ik ben anderhalf uur per dag bezig met het bijhouden van alle patientengegevens', zegt Witmer.

Tijdens het gesprek met Van Rooy gaat de telefoon. Iemand vraagt om een huisbezoek. Het is dringend. Van Rooy vraagt zijn assistente om zijn collega in te schakelen. Even later zegt Van Rooy: “Dat telefoontje was alweer een potentiele klacht. Stel dat mijn collega net even naar de wc is en de patient in tien minuten overlijdt. Dan is het mijn schuld.'

Iedereen wil negentig jaar worden. Artsen bieden wat dit betreft een slecht 'product'. Van Rooy: “Het tragische van ons vak is, dat uiteindelijk niets helpt.' Hij herinnert zich hoe de arts die hem begin jaren tachtig opleidde, hem tijdens een ritje in de auto meenam naar een kerkhof in het dorp. Hij zei: 'Hier staat een aantal grafstenen omdat ik iets wel of niet heb gedaan. Die krijg jij later ook.' Zo is het. Bij iedereen die overlijdt is er wel een moment waarvan je achteraf zegt: misschien had ik het toen anders moeten doen.'