Fijn op een eiland; HARINGSTAND BEPAALT OMVANG KOLONIE GROTE STERN

De Grote stern broedt met zijn duizenden op Griend. Toch heeft de populatie zich na een terugslag in de jaren zestig nooit meer hersteld tot het oude niveau. Promovendus Eric Stienen ontdekte de oorzaak: de vogel wil alleen maar haring. Berichten vanaf een vogeleilandje in de Waddenzee.

OP GRIEND, het vogeleilandje in de Waddenzee, halverwege Harlingen en Terschelling, krioelt het van de Grote sterns (Sterna sandvicensis). Ze broeden nest aan nest. Nou ja, nest. De eieren liggen in het zand of op het kweldergras. Uit mijn schuiltentje kan ik ze van een meter afstand bekijken. En horen. Het gekras en gekir van de sterns houdt geen seconde stil. De zoute zeewind ruikt naar vogelpoep, uitgebraakte visresten rottende lijken. Want waar geleefd wordt, wordt gestorven. Geen vogel is zo elegant als de Grote stern. De zilvergrijze puntvleugels het verblindend witte lijf, de gevorkte staart: alles is even slank en sierlijk. Aan de zwarte snavel licht een kanariegele punt op. De gitzwarte kuif maskeert nog net de ogen, wat de vogel een tikje mysterieus en boevig maakt.

In de jaren vijftig bereikte de Grote sternen-stand het record van vijfentwintigduizend paar op Griend. In de rest van Nederland broedden nog eens vijfduizend stelletjes. In totaal dus dertigduizend een aantal dat in tien jaar tijd kelderde tot 875 in 1965, waarvan 815 paren op Griend. De toenmalige vogelwachters zagen de Grote sterns er dood uit de lucht vallen. De kuikens kropen uit het ei met fysieke afwijkingen en waren niet levensvatbaar. De oorzaak van de ramp bleek vervuiling, door een lekkende pijpleiding voor pesticiden. Toen het lek gedicht was herstelde de stand zich heel langzaam tot het aantal Grote sterns zich in de jaren negentig stabiliseerdeop tien- a twaalfduizend paar in Nederland, vijf- tot negenduizend op Griend.

BROEDSUCCES

Na een dip tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen sterneneieren een eiwitbron voor mensen vormden, herstelde de stand bliksemsnel tot maar liefst drie keer zo veel paren als tegenwoordig.

Waarom herstelde de stand zich na 1965 dan zo traag en waarom stagneerde het aantal op een derde van wat er veertig jaar geleden aan Grote sterns broedde? Dat wilde Eric Stienen, als bioloog in dienst van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO), uitzoeken. Zes jaar geleden toog hij naar Griend, om invloeden op het broedsucces van de Grote stern te ontdekken. 'Het broedsucces, oftewel de hoeveelheid die een Grote stern gemiddeld per seizoen legt en het aantal eieren en kuikens dat het tot vliegen brengt, is betrekkelijk eenvoudig te meten door zoveel mogelijk eieren en kuikens te merken en in de gaten te houden', vertelt Stienen, die binnenkort in Groningen op de Grote stern zal promoveren. De bioloog zelf en vogelwachters, die elk jaar van april tot augustus op Griend verblijven, hebben dat werk jarenlang uitgevoerd. Het broedsucces bleek te fluctueren. Meestal legde een paar een of twee eieren, maar het aantal kuikens dat uitvloog varieerde van gemiddeld 0,45 tot 0,8 kuiken per nest. Slechts bij hoge uitzondering nam Stienen waar dat een Grote stern twee kuikens groot bracht. Een score van 0,8 kuiken per nest betekent op Griend een goed jaar. Maar dat zijn te weinig kuikens om de kolonie op peil te houden. Want een kuiken blijft zijn eerste drie levensjaren in Afrika en komt pas de vierde lente terug naar Europa om te broeden.

In die eerste levensjaren gaan veel kuikens dood. Stienen zag slechts dertig a veertig procent van de op Griend geringde en uitgevlogen kuikens terug. Dat Griend toch dichtbevolkt blijft, bleek te danken aan immigratie uit het buitenland. De vogelwachters ontdekten veel vogels die in Groot-Brittannie en Denemarken geringd waren.

Stienen: 'Ik verwachtte dat Grote sterns van Griend ook in het buitenland zouden broeden. In de grootste kolonie van Denemarken, met 1.300 paar, trof ik wel zeventig vogels aan uit andere landen, maar niet een met Nederlandse ring. Terwijl we op Griend toch duizenden kuikens hebben geringd. Blijkbaar komen ze van heinde en ver naar Griend, en keren ook de overlevende Griendse vogels terug naar Griend. Grote sterns geven aan Griend dus de voorkeur. Ze proberen het wel eens elders in de Waddenzee, op Rottumerplaat bijvoorbeeld of op Schiermonnikoog, maar na een paar seizoenen houden ze het daar vaak weer voor gezien.'

Wat maakt Griend zo aantrekkelijk? Het voldoet aan alle eisen die Grote sterns stellen. Elke winter overstroomt het eiland, waardoor de vegetatie kwelder-achtig blijft. Sterns broeden niet in woeste begroeiing. Het eiland overstroomt alleen 's winters, terwijl veel van zulke eilandjes ook in het broedseizoen wel eens onderlopen, waardoor de eieren wegspoelen. In de buurt van de kolonie is vis te vangen en het eiland is onbereikbaar voor badgasten, ratten wezels, vossen en andere verstoorders. Predatie is alleen uit de lucht te duchten, van meeuwen bijvoorbeeld. Sommige zilvermeeuwen specialiseren zich in het roven van eieren en kuikens. Nou verdedigen de meeste sternsoorten hun kolonie. De veel kleinere Noordse sterns en visdieven storten zich massaal op iedere zilvermeeuw, die zich in de buurt waagt. De vogelwachters op Griend hebben zilvermeeuwen met opengepikte hersenen zien weg wankelen. Zelf dragen ze een bouwvakkershelm, want anders hakken de sterntjes bloederige wonden in hun hoofd.

De Grote stern is niet zo fel. Die laat de vogelwachters bij het merken van de eieren ongemoeid - het eerste ei krijgt met viltstift een A, het tweede een B.

De vogels gaan op het laatste moment een paar meter de lucht in om hun plek op de eieren opnieuw in te nemen zodra de onderzoekers weer weglopen. Ook kijken Grote sterns, ondanks hun enorme overmacht, sputterend maar zonder in te grijpen toe als een zilvermeeuw hun eieren of kuikens soldaat maakt. Op Griend broeden vooral kokmeeuwen, soms wel dertigduizend paar. Grote sterns broeden tussen de kokmeeuwen.

HONGERIGE ZILVERS

Dat lijkt riskant, maar is het niet. Een kokmeeuw vergrijpt zich zelden aan kuikens of eieren van sterns. Broeden tussen kokmeeuwen is zelfs noodzaak: kokmeeuwen jagen eierzoekende zilvermeeuwen weg. 'De eerste sternlegsels', vertelt een vogelwachter, 'vallen allemaal ten prooi aan hongerige zilvers, maar zodra de kokken gaan broeden, hebben die geen kans meer. Geen Grote stern zou hier een kuiken groot weten te brengen, zonder de bescherming van kokmeeuwen.' Ik zie inderdaad hoe opvliegende kokken jargon voor kokmeeuwen, een onbezonnen zilver (zilvermeeuw) ervan langs geven. De Grote sterns schrikken even, maar hervatten dan onbekommerd hun versierpogingen. Ze verleiden elkaar door met hangende, enigszins gespreide vleugels om elkaar heen te draaien, in een heuse flamenco. Het vrouwtje danst even macho als haar minnaar. Toch schijnt het altijd de man te zijn die zijn vrouw met een respectvolle buiging een geschenk aanbiedt: een spiering bijvoorbeeld of liever nog, een jonge haring. Zeggen de vogelwachters tenminste, ik zie zelf geen verschil tussen beide seksen. Hoewel, na het voorspel moedigt een van de twee de ander duidelijk aan tot voortzetting van de paringsdans, door gehurkt te draaikonten. Dat moet wel de vrouw zijn. Als haar kerel aanstalten maakt, bemoeien plotseling drie buurmannen, (of -vrouwen?), zich ermee.

Dat verstoort het gevoos; beide vrijers vliegen op. In ruil voor hun uitsmijterswerk roven de kokmeeuwen wel eens een visje, dat de sterns aan hun hongerige kroost voeren. Dat merken de vogelwachters op die dagelijks zolang het licht is de nesten in de gaten houden en iedere handeling van de vogels noteren. Uit dat eindeloze geprotocolleer bleek dat haring en zandspiering het hoofdvoedsel van de Grote stern vormen. Willen andere sterns in tijden van visschaarste overstappen op platvis, inktvis of garnalen, de Grote stern is kieskeurig.

Daar zit volgens Stienen de oorzaak van de stagnerende groei van de sternenstand op Griend. 'De laatste zes jaar althans zijn het aantal sterns, hun conditie en de legselgrootte duidelijk gerelateerd aan de haringstand in de Waddenzee', aldus de onderzoeker. Toen Stienen in 1992 op Griend kwam, broedden er 6.600 paren. Er werd vooral zandspiering voor de kuikens meegebracht, nauwelijks haring. Dat kon Stienen goed zien, want Grote sterns brengen steeds maar een visje tegelijk. De conditie van de oudervogels was slecht. Wat de onderzoeker opviel was dat de sterns hard moesten werken om hun hongerige kuikens te bevredigen. Vaak gingen beide ouders tegelijk vissen. Dat is natuurlijk riskant. Een onbewaakt kuiken kan dood gepikt worden door buursterns of opgegeten door een roofvogel. In de daaropvolgende jaren nam het aantal broedparen geleidelijk toe tot meer dan achtduizend paren in 1995. De ouders voerden steeds meer jonge haring aan. De conditie van de oudervogels verbeterde toen en er bleef vrijwel altijd een ouder bij het kuiken. Alles wees erop dat er genoeg te eten was. In 1996 stortte de stand weer in tot iets meer dan vijfduizend paren.

'Kun je nagaan', zegt Stienen, 'drieduizend paartjes minder dan het voorgaande seizoen, dat zijn dus zesduizend vogels. Dat jaar zagen we de sterns nauwelijks haring aanvoeren. Ze brachten alleen zandspiering mee. Als er alleen zandspiering is, is er vis voor niet meer dan vijfduizend paar. Normaliter paait haring in de Noordzee en drijven in april, mei de haringlarven de Waddenzee binnen, juist als de kuikens uitkomen en de sterns ze nodig hebben. Dat seizoen was er geen haring. Ik weet niet wat de oorzaak daarvan was. Misschien overbevissing, misschien ook wel de strenge winter die eraan voorafging. Ik weet wel dat de sternenstand fluctueert met de haringstand. Niet alleen het aantal broedparen, ook het broedsucces lijdt onder de visschaarste. In het slechte haringjaar 1996 bereikte het aantal uitgevlogen kuikens een dieptepunt van minder dan een kuiken per twee nesten.'

EEN VISJE TEGELIJK

Het kost de sterns veel tijd en moeite om aan vis te komen. 'Een hele dag vissen levert acht of negen hapjes op, want ze brengen maar een visje tegelijk mee en voor die ene vis zijn ze gemiddeld zowat twee uur bezig. Beide ouders moeten op jacht, waardoor hun kroost onbeschermd achterblijft. Griend mag dan misschien de beste plek voor Grote sterns zijn, optimaal is het er beslist niet. Zelfs in het vetste haringjaar is er te weinig haring voor meer dan negenduizend paar Grote sterns', aldus Stienen.

De bioloog noemt Griend relatief gunstig; in Denemarken is de situatie nog beroerder en het broedsucces nog kleiner. Dit jaar gaat het op Griend trouwens beter dan in jaren: de stand nam toe tot bijna zevenduizend paren dus vierduizend vogels erbij in twee jaar tijd. Stienen: 'Er werd veel haring aangevoerd, de conditie van de oudervogels is nog nooit zo goed geweest.

De sterns bleven soms zelfs om de beurt op de kuikens zitten, terwijl de ander ging vissen. Het aantal eieren per nest steeg van 1,38 in '96 naar 1,8 in '98. Ook op Rottumerplaat was er in 1998 een spectaculaire toename tot meer dan 2.300 broedparen. De totale Nederlandse populatie kwam voor het eerst sinds veertig jaar boven de veertienduizend. Maar we zijn nog lang niet bij de dertigduizend paren van de jaren vijftig.'