Eerste werkdag

Nieuw werk, andere kamer. Ik ben nu B-6 en woon in de gang van de vroege opstaners. “God bestaat!!', meldt een op de wand geschreven tekst. Hier heeft een wroeger gezeten. Om 6.00 uur word ik gewekt. Na een half uur MTV-ontbijt, de enige televisiezender die ze hier kennen, vertrekt het busje naar het station. “Prettige dag', mompelt Gerrit, de chauffeur als we er zijn. Hij gaat bijna met pensioen en moet er duizenden hebben weggebracht.

Trein, overstap, trein, lopen. Om 8.45 u., anderhalf uur later, ben ik op mijn werk. “Hoe was de naam, Verschuur? Die heb ik helemaal niet.' Verbaasd kijkt de receptioniste me aan. “Wat komt die hier doen?' zie ik haar denken.

Ze begint mijn baas te bellen. “Oke, ik snap het.' Ze hangt op.

“U moet naar de tweede etage, kamer achter in de hoek Roel is er al.' In dit bedrijf kennen ze geen achternamen. Op goed geluk dwaal ik door de gangen. Alleen dat is al een genot. Zo maar wat ronddwalen zonder oekazes, X-rays of wat dan ook. En ook zegt iedereen hier 'goedenmorgen' en sommigen lachen zelfs. Het kamp lijkt lichtjaren weg en die andere waanzin daarvoor is al helemaal onvoorstelbaar.

“Koffie?' roept iemand.

“Koffie, koffie, koffie... arbeid, arbeid arbeid.... maaltijd, maaltijd, maaltijd...' Even komt de waanzin terug. Het angstzweet breekt me uit. “Kalm maar', lacht een vrouw. “Het komt wel goed', knikt een man. Langzaam kom ik weer tot bedaren.

“Kon je het vinden?' Vriendelijk kijkt Roel me aan. De waanzin is al weer weg.

“Ga maar achter de computer zitten, dan beginnen we met het eerste deel.' Ik moet een archeologische trefwoordenlijst opschonen. Vooral de paarden moeten in de gaten worden gehouden. Dat is zijn specialiteit.

Langzaam trekt de ochtend voorbij. Hier wordt alleen maar in termen van Brons- en IJzertijd, vroege en late Middeleeuwen en moderne tijd gedacht. Relaxter kan het niet. Een paar eeuwen meer of minder maakt niemand iets uit.

“Als je daarmee klaar bent, begin dan maar hier aan.' Roel gooit een stapel papieren op mijn bureau. Het is het Jaarverslag 1996. Tijd doet er hier echt niks toe.

“Ik ben Lisette.' Er staat een meisje in de deuropening. Ietwat schichtig kijkt ze me aan. Ik weet meteen hoe laat het is. Ik weet dat zij het weet en zij weet dat ik het weet dat zij het weet. Aarzelend blijft ze staan. Ik wacht af, geef geen krimp en kijk haar uitnodigend aan.

“Mag ik weten wat je hebt gedaan, als je het niet wilt zeggen moet je het vooral niet doen.' De woorden spuiten eruit. Hier is urenlang over nagedacht. Dat hoor ik zo.

“Nee hoor, dat mag je rustig weten.' In grote lijnen vertel ik mijn verhaal. Als ik klaar ben, kijkt ze me onzeker aan. Ze heeft nog duizenden vragen, maar durft niet goed. Maar ik heb geen zin meer. Dit is voorlopig wel voldoende. Ik stort me weer op de paarden.

“Koffie?' Vragend kijken Lisette en Frits van het lab me aan. Gedrieen gaan we op weg. Onderweg sluiten andere koffiedrinkers zich aan. Allemaal even aardig en sympathiek. Het Kamp is nu helemaal ver weg buitenaards, om over dat andere daarvoor maar te zwijgen, daar zijn geen woorden voor.

“Waar komt u eigenlijk vandaan?' wil een oud mannetje na het eerste kopje weten. Hij is de enige die het vraagt, de rest taalt er niet naar, met geen woord, die weten het dus al.

“Ik heb een tijdje rondgezworven', antwoord ik.

Hij begint instemmend te knikken. “Heb ik ook gedaan toen ik jong was, precies hetzelfde.' Hij moest eens weten.

Voordat ik het weet is het 16.15 u. Mijn eerste werkdag zit erop. Ik moet weer terug.

“Is het goed gegaan?' wil Roel weten.

“Geen enkel probleem, ik ben blij dat ik hier ben.'

“Tot morgen.' Ietwat somber kijkt hij me aan. Misschien is die wel eens in het Kamp geweest en weet hij hoe het er aan toe gaat.

Tenslotte ben ik niet de eerste kamper die hier werkt.

“Verschuur je bent te laat.' Het is 18.00 u. Ik ben weer terug op het station. Moederziel alleen zit bewaker Bartels in het busje. De andere kampers zijn al weg.

“De trein had vertraging', mompel ik.

“Dan moet je bellen en in ieder geval een vertragingsbriefje aan de conducteur vragen.' Priemend kijkt hij me aan. De waanzin is weer terug.