Duitsers hekelen 'eeuwige schande'

In Duitsland is een fel debat gerezen over de wenselijkheid van het Holocaust-monument in Berlijn.

De Duitsers debatteren weer en opnieuw is de Holocaust inzet. Na de historici-strijd over de uniciteit van de moord op de joden en na Daniel Goldhagen, die het kwaad bij het 'Deutsche Wesen' zocht, zijn nu de 'protagonisten van de moraal' in de Bondsrepubliek met elkaar in de ring gegaan: Martin Walser en Klaus von Dohnanyi tegen Ignatz Bubis en Richard von Weizsacker.

De aanleiding is het omstreden Holocaust-monument in Berlijn. De heftige discussies over de noodzaak daarvan verstomden toen de SPD aankondigde de kwestie in het parlement te brengen als zij aan de macht zou komen. De rust keerde weer.

Totdat Martin Walser, een van de beroemdste naoorlogse schrijvers in Duitsland, de handschoen oppakte. Walser had net een ontroerende roman gepubliceerd over de belevenissen van een jongen tijdens het nazisme, die door critici eenstemmig is geprezen. Toen Walser onlangs in Frankfurt een toespraak hield ter ere van de 'Vredesprijs', greep hij de kans om zijn afschuw te uiten over een monument 'zo groot als een voetbalveld'. De Holocaust zelve stelde Walser uiteraard niet ter discussie. Maar waarom moest Duitsers ruim 50 jaar na de oorlog nog altijd op zo'n grove manier de 'eeuwige schande' worden ingepeperd, vroeg hij zich af.

Walser sprak van “wegkijken' en “verdringen', omdat het pijn doet elke dag met het drama van de Holocaust te moeten leven. Hij waarschuwde voor de “instrumentalisering van onze schande voor hedendaagse doeleinden', voor het gebruik van de “morele knuppel' en riep op tot een andere omgang met de geschiedenis. De bijval die Walser in Frankfurt kreeg was groot. Ook de scheidende Nederlandse ambassadeur in Bonn riep vorige week op Duitsland eindelijk eens als een “normaal land' te beschouwen.

Groot was echter ook de verbazing over de bittere reactie van Ignatz Bubis, voorzitter van de Centrale Raad van Duitse Joden. Bubis wierp Walser “geestelijke brandstichting' voor de voeten. Hij verweet hem “weg te kijken' van “onze schande' te spreken en niet van misdaden.

De scherpe kritiek van Bubis, die het leven van de joodse gemeenschap in Duitsland symboliseert, schokte menigeen. Had Bubis Walser wel goed begrepen? Had Walser twee toespraken gehouden, vroeg de schrijfster Monika Maron zich af: een die Bubis en een die zijzelf had gelezen? Maar wie durfde openlijk in te gaan tegen Bubis, die de levende herinnering is aan Auschwitz? Als jongetje zag hij hoe zijn vader werd opgehaald om nooit meer terug te keren. Iets wat Bubis, zo zegt hij zelf, nooit heeft verwerkt. Het gevoel dat hij z'n vader 'in de steek' heeft gelaten blijft hem kwellen.

Wie anders kon reageren dan een kind van een verzetsstrijder. Klaus von Dohnanyi, gerespecteerd sociaal-democraat en oud-burgemeester van Hamburg, nam het in een open brief in de Frankfurter Allgemeine Zeitung (FAZ) voor Walser op. Walser is niet de enige Duitser, die het voortdurende herinneren aan het kwaad van de nazi's als een persoonlijk juk ervaart. Ook anderen, onder wie Dohnanyi valt het soms zwaar steeds de schuld te moeten dragen voor misdaden, die niet door henzelf zijn begaan.

Het is de eeuwige plicht van de Duitsers te blijven herinneren, vindt Dohnany. Toch riep hij Bubis op tot een behoedzame omgang met de niet-joodse burgers, want “we zijn allen kwetsbaar'. Bubis bleek onvermurwbaar. Heftig nam hij ook tegen Dohnanyi stelling, die hij “boosaardigheid' verweet. Dat was voor menigeen in de joodse gemeenschap de druppel.

'Bubis moet weg', stelt de joodse historicus Michael Wolffsohn. Hij is als leider van de Duitse joden te oud en heeft volgens Wolffsohn last van zijn eigen onverwerkte verleden.

Het is een harde reactie in een onverkwikkelijk debat. Een andere morele autoriteit, Richard von Weizsacker, heeft het nu voor Bubis opgenomen. “De strijd dreigt uit de hand te lopen', waarschuwt hij.

Jongeren en ook het buitenland begrijpen weinig meer van het debat. “Drie persoonlijkheden met het hoogste aanzien hebben gesproken.' Hun geweten is te respecteren. Maar “voor de vreselijke last van de misdaden' blijven de Duitsers eeuwig kwetsbaar, schrijft de oud-president in de FAZ in een wanhopige poging het ontspoorde debat eindelijk te beeindigen.