De bloedhelling

Ik herinner me het brutale geratel van klinkhamers dat over de rivier kwam waaien als je in Arnhem op de Rijnkade liep, een geluid dat op een mysterieuze manier samenhing met zweet en spierkracht, werk, de kost verdienen.

Ik herinner me ook dat je vanaf deze kade neerkeek op een voetpad naar de overkant. Dat moet januari/februari 1954 zijn geweest, de Rijn was dichtgevroren. Mijn grootvader wou samen met mij het ijs op, maar ik durfde niet. Ik durfde nooit wat. Wat dat betreft ben ik toch wel een stuk opgeschoten in mijn leven: ik durf nu tenminste te schrijven dat ik nooit wat durfde.

Maar wat ik zeggen wou: tegenover de stad lag de ASM de Sleephelling. Daar werkten drie broers van mijn grootvader. Dan hebben we het over ome Willem (1892-1978), ome Gerrit (1895-1958) en ome Kees (1902-1978).

Deze jaartallen worden me in een handomdraai verschaft door Wim Hutgens, een zoon van ome Kees, een volle neef van mijn moeder dus, toch maar vier jaar ouder dan ik. Hij heeft een stamboom opgesteld die teruggaat tot 1625, toen een zekere Johann Heutgens in het huwelijk trad in Kaldenkirchen, nu Duitsland.

De grootvader van mijn grootvader vestigde zich rond 1830 in Nederland, in Venlo. Die heette Peter Jacob, net als ik. de vader van mijn grootvader trok naar Arnhem. Die heette Hendrik Willem Hubert, net als mijn achterneef. Hij leefde van 1853 tot 1906 en oefende een beroep uit dat in onze stamboom voortdurend opduikt. Hij was voerman. (Daar bestaat nog een foto van: paard en wagen man op de bok. Je waant je compleet in een roman van Maxim Gorki.)

De ASM was in 1889 als reparatiewerf gesticht door een aantal plaatselijke notabelen. Het bedrijf begon met een langshelling voor schepen tot 70 meter, een kleine fabriekshaven en een handhijskraan met een hefvermogen van tien ton. Het was de eerste grootindustriele onderneming van de stad. Er werkten acht mannen en de directie berustte bij J.J.

Prins. Vandaar: de werf van Prins, wat ik als kind knap verwarrend vond want Prins was de Duitse herder van een tante van me.

Zijn hoogtijdagen beleefde het bedrijf in de jaren '14-'18, aan het eind van de jaren '20, en kort voor de oorlog. Dan werkten er zo'n driehonderd mensen. Er werden schepen, machines en ketels gebouwd - vooral sleepboten en grindbaggermachines, maar ook elevators en zandzuigers en dergelijke.

Ome Willem begon er al in 1906, het sterfjaar van zijn vader. En je mag aannemen dat het geografisch toeval ook een rol heeft gespeeld: het gezin woonde recht tegenover de werf aan de rand van de binnenstad.

Hoe het ook zij, in 1931 kreeg hij een zilveren horloge, en een jaar later een getuigschrift, waarin hij een uiterst ijverig en nauwgezet iemand wordt genoemd. 'Door gebrek aan werk moesten wij er tot onzen spijt toe overgaan hem eervol ontslag te verlenen.' Later werd hij opnieuw aangenomen.

In september '44 werd het bedrijf, zo dicht bij de omstreden Rijnbrug gelegen, verwoest. Na de bevrijding werd het aanvankelijk met een minimale personeelssterkte, weer op poten gezet. De broers Hutgens waren er alledrie bij.

Mijn achterneef kan precies vertellen wat voor werk ze deden, en zo dalen we af in de diepten van onze industriele geschiedenis, terug naar tijden dat er nog dingen gemaakt werden in Nederland, dat mannen nog arbeiders waren en aan het eind van een werkdag konden laten zien wat ze gedaan hadden; de tijd ook dat een jongen de weg wist op het werk van zijn vader, al was het alleen al om hem zijn brood te kunnen brengen als er moest worden overgewerkt - ja overwerk, altijd maar overwerk, werk bovenop het gewone werk.

Ome Willem begon als zandvormer in de gieterij. Dan had je een flinke kist met een mengsel van zand en paardenstront, waarin met de hand een mal werd gevormd, waaruit vervolgens in koper of tin zoiets als een lagerschaal of een scheepsschroef werd gegoten. Bloed- en bloedheet was het daar. Uiteindelijk wist ome Willem zich tot chef van deze afdeling op te werken. Dus het was niet alleen om zijn leeftijd dat hij zoveel gezag had in de familie, en het was ook niet alleen om de sigaren die hij rookte dat hij iets aristocratisch had.

Ome Gerrit begon als nagelpieleke. Zo'n jongetje rende met de klinknagels, die in het smidsvuur op de werf werden verwarmd, naar het schip in aanbouw en stak ze gauwgauw in de daartoe bestemde gaten. Later werd hij ijzerwerker/scheepsbouwer. Dat behelsde het vormen van staalplaten onder een luchthamer, puur handmatig werk, dat veel ervaring vereiste. 'Die had de pap wel op als hij thuiskwam', zegt mijn achterneef. Die had in ieder geval van de drie veruit het ruwste werk, en zo was hij zelf ook wel een beetje.

Ome Kees ten slotte begon in 1936 in de draaierij en was achtereenvolgens schaver, freezer en kotteraar. Dan heb je het over het schaven van bijvoorbeeld spiesleuven in drijfassen, het freezen van een roerkoning of het kotteren van een bonkelaar voor de emmerladder van een baggerschip. 'Die man was zo bedreven in dat werk', zegt mijn achterneef.

Dus op verjaardagen en partijen ging het steevast over de ASM. Als ze het dan de bloedhelling noemden, was dat niet om het bedrijf over de hekel te halen, maar om de heroiek van hun arbeid aan te geven. Deze mannen waren geen engelen, maar het werk was hun heilig. Als ze om half acht moesten beginnen, gingen ze om kwart voor zeven al door de poort.

Mijn achterneef herinnert zich de trots van de hele ASM-gemeenschap (en de halve stad daaromheen) als er weer een schip kon afvaren. De tewaterlating van de Pamilo bijvoorbeeld, een bananenboot voor Brazilie. De romp gleed de Rijn in en het dekhuis, dat apart was afgebouwd, ging op een lichter. Het hele gevaarte verdween in verband met de vaardiepte richting Nijmegen, het kon maar net onder de brug door. In '54 ongeveer.

Begin '57 had de werf nog dertien schepen in de orderportefeuille. In 1970 waren de vooruitzichten al somber. Daarna werd voor het Rode Kruis nog een nieuwe Henri Dunant gebouwd. De Happy Hunter voor de KNSM was de laatste sleepboot. Daarna nog twee luxe passagiersschepen voor de Nijlvaart. In 1978 werden alle activiteiten gestaakt.

Voor de afgevloeide werknemers, die iets met hun handen wilden blijven doen, werd toen in de stad een werkplaats geopend, de Helling. Die bestaat nog steeds; laatst stond er een stuk over in de Arnhemse Courant. Er worden stoommachines, sieraden en historische klokken en dergelijke gemaakt. De werkplaats telt momenteel 330 leden, onder wie nog een tiental oud-ASM'ers.

    • Koos van Zomeren