De betere tuin

In de laatste detectiveroman van P.D. James, A Certain Justice, wordt een interessant personage beschreven, een Miss Capstick, tuincorrespondente van een luxe maandblad. Natuurlijk vond ik dat op zichzelf al interessant, tuincorrespondenten treden niet vaak op in detectiveromans — noch in enige andere roman trouwens, maar Miss Capstick is ook boeiend om een andere reden: haar tuin is imaginair. Ze beschrijft hem gedetailleerd in haar artikelen, een grote tuin ergens in Kent, maar aan een politieman bekent zij (het is ondenkbaar dat zij iets te maken zou kunnen hebben met de moord, ze wordt ondervraagd over het slachtoffer) dat het een ,,tuin in de verbeelding is'. Op die manier (...) krijgen haar lezers een betere tuin, en zijzelf ook.

Ze illustreert haar artikelen met foto's van andermans tuinen en van planten in parken, hetgeen ik een zwak punt in het verhaal vond. Ook ik heb een imaginaire tuin, die parallel bestaat met de echte, maar die is wel stukken beter. In mijn verbeeldingstuin is alles klaar voor de winter: de bladeren zijn allemaal opgeveegd en op een van de bladcomposthopen gelegd, een voor dit jaar en een van vorig jaar. De Gunnera manicata is beschermd, precies zoals ze dat in de Hortus doen, met gaas er omheen en een berg bladaarde er bovenop. Daar zal hij de hele winter in zitten, om volgend voorjaar levend en onbevroren het daglicht te begroeten. De bollen zijn allemaal geplant, op precies de juiste diepte en met zorg gekozen om kleuren en bloeiseizoenen te coördineren, zodat de ene maand deze kant van de tuin een symfonie van rood en wit zal zijn en de volgende maand het andere einde een explosie van zonnig geel. De meer kwetsbare soorten zijn bedekt met een beschermende laag, niet turf want dat is slecht voor het milieu, maar ook weer bladaarde van vorig jaar.

De Clematis montana die de perenboom in ging en hem niet veel goed schijnt te hebben gedaan (een boomspecialist vroeg, op de toon waarmee je naar besmettelijke ziektes vraagt, wat er toch tegen die boom op gegroeid kon zijn) is verwijderd. De klimop is gesnoeid, de paden zijn geveegd en 's avonds bestudeer ik zaadcatalogi en lees hardop voor uit de tuinboekklassieken.

Wel, niet al deze dingen zijn zo imaginair als de tuin van Miss Capstick. Het verwijderen van clematis is lang niet zo eenvoudig als het klinkt; beneden aan doorsnijden is gemakkelijk genoeg maar je kunt de stengels er daarna niet gewoon uittrekken, het zit er in verweven als verstrengelde klerenhangers. De enige manier, net als bij het verwijderen van klimop of een andere klimmer tegen een muur, is de stengels door te snijden en dan te wachten tot wat boven zit uit zichzelf verdwijnt. Niet mooi om te zien. Bij wijze van zwanenzang heeft de clematis een zaailing achtergelaten in de kuip met de vijgenboom; om die er uit te halen, als dat nodig is, zal minder moeilijk zijn.

Wat de bollen betreft, ik heb ze geloof ik nog nooit zo op tijd geplant. Maar zoals gewoonlijk waren het er lang niet genoeg. Op de bestelling ziet het er altijd overdreven uit, veel te veel en veel te duur, maar wanneer de bollen arriveren en je ze in 'natuurlijke' formatie uitzet op de grond zien ze er hopeloos uit, als de krijtomtrek van een lichaam op het asfalt. Ieder jaar besluit ik er meer te bestellen, en elk jaar denk ik dat het nu te veel is, vooral omdat de meeste de neiging hebben zich als eenjarige planten te gedragen.Het zou interessant zijn te vergelijken wat ik aan groentezaden en aan bollen uitgeef; het moet iets zijn van een op tien, en bollen kun je niet eens eten. Maar toch, het voorjaar dat ik er geen had geplant was uiterst deprimerend, dus zal ik ze als psychologische eregroenten rekenen.

Zelfs in de imaginaire tuin is er op het ogenblik niet veel dat het oog vermag te verheugen; de enige planten die senang lijken te zijn, zelfs overdreven senang, zijn de groenblijvende. Ze vallen zeker meer op. Helleborus argutifolius (vroeger bekend als H. corsicus) ziet er heel zelfingenomen uit, als het kind dat zijn laatste stukje chocola bewaard heeft terwijl alle anderen het allang op hebben, en dat geldt ook voor Euphorbia amygdaloides var. robbiae, allebei maken ze zich gereed om vroeg in het voorjaar te gaan bloeien. De Arum italicum, 'Marmoratum', eenvoudiger bekend als die met die gemarmerde bladeren, is ten langen leste begonnen zich te verspreiden. Ik had meer bollen besteld dit jaar en vond toen een hele klomp zaailingen, met nog ongemarmerde bladeren. Terwijl ik dit opschrijf vraag ik me af of het wel zaailingen zijn en niet uitstoelingen, ze staan verdacht dicht op elkaar. Uitgraven zou de enige manier zijn om er achter te komen.

Een andere plant die er prima uitziet is Iris foetidissima, de stinkende iris. Dat is degene waarvan de bloemen zo petieterig en onopvallend zijn dat je ze nooit opmerkt, maar die dan uitbarsten in bessen. Niemand kan die niet opmerken, het triomfmoment van de plant, ieder bloemhoofdje is een vroegtijdig kerstboomversiersel geworden met helder oranjerode bessen. Hier geen spoor van zaailingen, in tegenstelling tot Carex pendula (een soort zegge, ook groenblijvend) dat een heel stuk grind in bezit heeft genomen. Wanneer ze klein zijn zien deze planten er uit als onkruid, misschien alleen maar omdat ze in het grind groeien, maar een grote, vooral in bloei, is een indrukwekkend gezicht.

Groeit er werkelijk iets? De winterbloeiers uiteraard, en ook sommige bollen, toen ik tussen de sneeuwklokjes groef vond ik anemische ondergrondse stengels van wel 5 centimeter. Verder is mijn pelargoniumstekje, genomen van een gigantische plant genaamd 'Chocolate Peppermint', gekocht door een kennis op een tuinmanifestatie, heel tierig bezig, met een sterke geur van after dinner mints. In de imaginaire tuin zou hij al naar binnen zijn gehaald, want zelfs daar kunnen planten die er buiten maandenlang goed uitzien in één nacht veranderen in zwakke invaliden die door de winter heen moeten worden gekoesterd.