Amerika wil Europa maar niet begrijpen

De VS geven steeds vaker af op de Europese afhankelijkheid van Amerikaans leiderschap, maar willen tegelijkertijd dat die blijft bestaan. Volgens William Wallace en Jan Zielonka gaat deze houding ten koste van een goede transatlantische relatie, die in de huidige kwakkelende wereld van cruciaal belang is.

Afgeven op Europa, Eurobashing, is in de Verenigde Staten weer in de mode. De Europese bezoeker in Washington wordt geconfronteerd met een mengeling van Amerikaans economisch triomfalisme en dedain voor de trage groei en de sociale zekerheid in Europa. Amerikaanse commentatoren verwijten Europa dat het niet bijdraagt aan de handhaving van de regionale en mondiale orde. Zij eisen dan ook dat de Europeanen een groter deel van de lasten van het leiderschap torsen.

Anti-Europees sentiment in Amerika is niets nieuws. De Verenigde Staten zijn opgebouwd door immigranten die hun teleurstelling over de oude wereld verbeten, in de hoop op een nieuwe wereld. Amerikaanse zakenlieden en politici aan het eind van de vorige eeuw meenden dat zij de levenskrachtige toekomst vertegenwoordigden, en Europa het aftakelend verleden. In de beide wereldoorlogen zagen de Amerikanen zichzelf als redders die de Atlantische Oceaan overstaken om Europese ruzies te beslechten waar de Europeanen onderling niet uitkwamen.

Na 1945 luidde het Amerikaanse recept voor Europa dat het “meer zoals wij' moest worden: men moest een Verenigde Staten van Europa vormen die Amerika's loyale partner zou zijn binnen een bredere Westerse alliantie. In de daaropvolgende jaren heeft de Amerikaanse teleurstelling over Europa's onwil het patronaat van de VS onvoorwaardelijk te accepteren, geschommeld tussen wanhoop over de politieke integratie van Europa en vrees dat hun Europese bondgenoten een integratie zouden opzetten die afweek van wat Washington had voorgeschreven.

Zoals het Europese anti-Amerikanisme tijdens de Koude Oorlog afbreuk deed aan de Westerse solidariteit, zo dreigt Amerikaans Eurobashing de transatlantische samenwerking in het tijdperk na de Koude Oorlog te ondermijnen.

Als de Verenigde Staten van Europa verwachten dat het zich meer inspant om de leidende rol van het Westen in de wereld te vervullen, dan is het in het Amerikaanse belang enig respect te tonen voor Europese opvattingen. Bij de huidige aanpak, waarin de eis dat Europa meer op de schouders neemt gepaard gaat met reflexmatige afwijzing van Europese beleidslijnen, bestaat het gevaar dat Amerika zijn voornaamste bondgenoten van zich vervreemdt.

Het recente anti-Europese gemor in Amerika heeft diverse oorzaken. Ten eerste zijn de Amerikanen het er onderling niet over eens hoe ver het op de VS geinspireerde eenwordingsproces moet voortschrijden, met daarbij de vrees dat er een echte mondiale rivaal uit ontstaat. Daarnaast komt de Euroscepsis voort uit de neiging tot overdrijven die het politieke debat in Washington kenmerkt. Tot overmaat van ramp atrofieert de informatie over en kennis van Europa bij Amerikanen in hoog tempo naarmate de Amerikaanse media zich beperken tot Amerikaans nieuws en exotische human interest-verhalen, en ook naarmate de generatie van Europese ballingen die doceren aan Amerikaanse universiteiten verdwijnt. Het resultaat is dat de Amerikaanse elite er een steeds ongenuanceerder beeld van de Europese politiek, samenleving en economische ontwikkeling op nahoudt. Bijgevolg lokt iedere schrede die de Europeanen zetten op de weg naar meer integratie in Amerika waarschuwingen uit over vermeende gevaren voor Amerikaanse belangen en ook voor de Europeanen zelf.

In zijn commentaar op Europa weerspiegelt Amerika zijn eigen zelfbeeld. Eind jaren tachtig vormden Amerikaanse waarschuwingen over dreigende economische concurrentie van een machtig Fort Europa de keerzijde van het debat over het afglijden van Amerika's eigen economie.

In de Amerikaanse verkettering van de recente Europese economische stagnatie klinkt de tevreden consensus over de eigen economie. Tekenend was in dat verband een Senaatsbesluit over de uitbreiding van de NAVO waarin “een duurzame, rechtstreekse leidende rol voor de Verenigde Staten in Europese veiligheidskwesties' werd geponeerd, maar tevens werd geeist dat “de verantwoordelijkheid voor en financiele lasten van de verdediging van Europa's democratieen meer naar billijkheid zal worden verdeeld'.

Europese regeringen klinkt dit maar al te bekend in de oren. Henry Kissingers reactie toen West-Europa de eerste stappen zette op de weg naar coordinatie van het buitenlandse beleid tijdens de Conferentie van Helsinki over Veiligheid en Samenwerking in Europa (1972-'73), was de eis dat bij alle beraadslagingen tussen Europese landen Amerikaanse vertegenwoordigers zouden worden toegelaten. Vooral de vrees dat de West-Europese regeringen een eigen Midden-Oostenbeleid zouden ontwikkelen baarde Kissinger zorgen. Meer recent lieten de VS - in hun reactie op de Europese onderhandelingen over het gemeenschappelijke buitenlandse beleid tijdens de Intergouvernementele Conferentie van Maastricht in 1991 - weten dat een omvorming van de West-Europese Unie - de defensietak van de EU - tot een autonome groepering binnen de NAVO voor de Verenigde Staten onaanvaardbaar zou zijn. De Britse en Nederlandse regeringen bonden in en zwakten hun voorstellen voor nauwere Europese samenwerking af, terwijl de Fransen hun verzet tegen wat zij beschouwden als een nieuwe poging een Amerikaanse hegemonie te vestigen, juist verscherpten. Het gevolg is dat de Europese Unie tot op de huidige dag een burgerlijke mogendheid is, een factor van mondiaal belang in de economische politiek, ontwikkelingshulp en internationale instituties, maar zonder de bijbehorende politieke of militaire slagvaardigheid.

De Amerikaanse functionarissen die deze ongerijmdheid hebben helpen creeren, leveren er nu kritiek op.

Amerikaanse Eurosceptici verwijten de Europese bondgenoten dat zij zich gezapig koesteren in de door Amerika verschafte territoriale veiligheid. Maar dat verwijt is alleen terecht op het smalle vlak van militaire slagkracht en defensieuitgaven. Zeker, de Europese NAVO-leden besteden samen slechts 66 procent van het Amerikaanse budget aan defensie. Maar bij elke meer algemene definitie van veiligheid blijkt de Europese bijdrage veel en veel groter. In de vijf jaar na de val van de Berlijnse Muur is driekwart van de Westerse economische en financiele bijstand aan Rusland en de landen van Midden- en Oost-Europa verschaft door de EU. Meer dan de helft van de internationale steun aan de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook kwam uit West-Europa, tegen slechts 10 procent uit de VS. De Europese bijdragen aan internationale organisaties en aan de economische ontwikkeling in de armste landen van Afrika en Zuid-Azie overtreffen verre het slinkende Amerikaanse aandeel. Het voortdurend gehamer op de eis dat Europa meer moet betalen - zonder dat degene die het gelag moet betalen iets te zeggen krijgt over het maal - is dan ook een van de schadelijke elementen in de Amerikaanse kritiek.

Voor Europeanen steekt het Amerikaanse vertrouwen in de kracht van hun economie vreemd af bij de Amerikaanse beweringen dat de VS hun aandeel in de internationale verantwoordelijkheden niet langer kunnen dragen. Die inconsequentie is een van de gevolgen van de gewoonte van Amerikanen hun eigen politiek te projecteren op hun transatlantische betrekkingen. Jaren van partijpolitiek gehakketak over begrotingstekort, belastingen ontwikkelingshulp en bijdragen aan internationale organisaties hebben geleid tot de consensus dat Amerika niet meer kan betalen, en tot rancune jegens de Europese bondgenoten die de indruk wekken minder te betalen.

Een overzicht van het debat over de Amerikaanse transatlantische betrekkingen samengesteld door de Raad voor het Buitenlands Beleid in Washington stond vol met termen als 'kwalijk nemen' en 'verwijten', wat wijst op boosheid jegens de Europese bondgenoten omdat ze economisch hun mannetje niet staan en verzuimen de VS volledig te steunen in elk facet van hun diplomatieke optreden.

De Europese regeringen, die hun best doen het Congres en de Amerikaanse media in te lichten over hun substantiele financiele bijdragen aan Rusland, Oost-Europa, het Midden-Oosten en Afrika ergeren zich eraan dat de Amerikaanse politieke leiding deze realiteit nog steeds niet onder ogen ziet. Van hoog tot laag, te beginnen bij de president, lezen Amerikaanse kopstukken hun bondgenoten vrolijk de les over hun verantwoordelijkheden. Maar ze schrikken ervoor terug het Congres duidelijk te maken hoe onjuist deze opvatting eigenlijk is. Het grote vertrouwen bij Amerika's hoogste buitenlandse beleidsmakers dat de Europeanen hun eigen landelijk-politieke restricties van tafel zullen vegen wanneer de Verenigde Staten hun steun behoeven, staat in pijnlijk contrast met de aarzelende, timide toon die deze beleidsmakers aanslaan tegenover hun eigen achterban. Zelfs de meest internationalistisch denkende regeringsfunctionarissen zijn veelal eerder geneigd het ressentiment in het Congres te voeden dan het te bestrijden.

Een voorbeeld: op de bijeenkomst van NAVO-ministers van Buitenlandse Zaken in december 1997 hield de Amerikaanse minister Madeleine Albright staande dat de VS 90 procent van een nieuwe opleiding voor Bosnische politiemensen financierde. “Op dit soort cruciale gebieden', vermaande ze haar collega's, “moeten andere leden van het bondgenootschap nog heel veel meer doen.' Haar Europese toehoorders, wetende dat zij al meer dan 70 procent van de totale inspanningen voor vredehandhaving en wederopbouw fourneren, naast 80 procent van de kosten voor de grondtroepen van de vredesmacht, zullen zich zorgen hebben gemaakt over de indruk die deze selectieve cijfers wekten.

Nog altijd vragen de VS om meer collectief Europees optreden. Tegelijkertijd eisen ze Amerikaanse goedkeuring vooraf bij elk gezamenlijk Europees optreden, vooral op veiligheidsgebied. Amerikaanse beleidsmakers geven af op de ingesleten Europese afhankelijkheid van Amerikaans aanvoerderschap, maar stellen wel meteen de eis dat die blijft bestaan. Zonder te pleiten voor die afhankelijkheid, het warnet van Europese instellingen in Brussel of de ergerlijke verschillen in stijl van optreden tussen de belangrijkste Europese regeringen, moet toch aandacht worden geschonken aan de inconsequentie in het Amerikaanse denken in plaats van te blijven hameren op het aambeeld van de gebrekkige Europese samenwerking.

De transatlantische betrekkingen worden de laatse jaren gekenmerkt door nauwe economische banden en slechts weinig politieke contacten. Toch is voor de wereldorde en de wereldeconomie een doelmatig politiek partnerschap tussen VS en Europa op een breed scala van beleidsgebieden broodnodig. Degenen in Washington die de Aziatisch-Pacifische regio hebben betiteld als de toekomst van Amerika, en Europa als zijn verleden, moeten na het uitbreken van de Aziatische crisis erkennen dat de Europese bondgenoten - ondanks al hun tekortkomingen en zwakheden - de enige betrouwbare partners van de VS zijn, die hun waarden en verantwoordelijkheden delen.

Het voortbestaan van het transatlantisch partnerschap dat is gesmeed onder de uitzonderlijke omstandigheden van de Koude Oorlog, is geen vanzelfsprekendheid. Gedurende het grootste deel van de Amerikaanse geschiedenis zijn de betrekkingen met Europa koel geweest. Maar het is niet mogelijk een productieve transatlantische relatie in stand te houden zonder een hechte basis van democratische steun zowel in de VS als in Europa.

Helaas verzaken de makers van het Amerikaanse buitenlands beleid hun leidersrol ten aanzien van hun achterban.

Het gevaar bestaat dat topfiguren in Amerika, wanneer de Europese munt met succes wordt ingevoerd, zullen reageren met eenzelfde stemmingswisseling als tien jaar geleden. En in plaats van te waarschuwen voor de achteruitgang van Europa zich zullen beklagen over Europese bedreiging van Amerikaanse belangen. Zeker de monetaire unie zal van invloed zijn op de transatlantische betrekkingen en tot verdere politieke integratie van de Europese lidstaten nopen. Ook kleinere stappen op de weg naar een geintegreerd Europees buitenlandbeleid - zoals de integratie van de Europese directoraten-generaal voor externe betrekkingen en de nieuwe rol voor de secretaris-generaal van de EU-ministerraad naar het model van de secretaris-generaal van de NAVO - lijken wellicht een versterking van Europa en een bedreiging van Amerikaanse belangen.

Gedetailleerde onderhandelingen over de uitbreiding van de EU in oostelijke richting zullen onvermijdelijk leiden tot compromissen, waardoor sommige Amerikaanse ondernemingen zich in hun belangen geschaad zien. Europese en Amerikaanse beleidsmakers zullen van mening blijven verschillen als het gaat om interne restricties op het gebied van bijvoorbeeeld het broeikaseffect, toevoegingen aan voedsel of genetisch gemanipuleerde gewassen.

De Amerikanen mogen zich - naarmate de logge Europese gemeenschappelijke machinerieen zich voortwentelen - echter niet tot alarmisme laten verleiden. Ze doen meer voor de toekomst van de transatlantische betrekkingen wanneer ze zich richten op de vraag hoe regering en politiek in de VS zich moeten aanpassen om te zorgen dat het Congres en het publiek zich een juist beeld vormen van de ontwikkelingen in Europa.

Ingrijpende herstructurering van de transatlantische betrekkingen hebben de VS niet van node. Wel moet Amerika zijn relaties met de EU en de NAVO wederzijds integreren en moet het aanvaarden dat een Europees forum binnen de NAVO op termijn in zijn eigen belang is.

Een langdurig partnerschap vereist wederzijdse tegemoetkomingen en communicatie over en weer. Amerikanen die beseffen hoe belangrijk de transatlantische relatie in een kwakkelende wereld is moeten onderkennen dat Washington's egocentrische maar lawaaiige debat een negatieve indruk wekt bij het Europese publiek. Zij moeten zich inspannen om zorgvuldiger naar Europese overwegingen te luisteren, maar nog meer om deze overwegingen accuraat over te brengen aan de politieke beleidsmakers in de VS. Europeanen die het centrale belang van de transatlantische betrekkingen beseffen, onderkennen reeds de vele obstakels die worden opgeworpen door langs elkaar heen werkende Europese instellingen en doen hun best die te overwinnen. Ze zouden daarin worden geholpen als men aan gene zijde van de oceaan zou ophouden met Eurobashing.