Zaak-Bouterse

De hoogste baas van het Surinaamse openbaar ministerie, mr. Helouise Rozenblad, heeft mij duidelijk niet goed begrepen als zij zegt dat ik met mijn opmerkingen (NRC Handelsblad, 14 november), `schade toebreng' aan het Surinaamse OM.

Zij zegt in de krant van 16 november niet op de hoogte te zijn van plannen oud-legerleider Bouterse in Suriname te berechten, maar in ieder geval niet van plan te zijn `een schertsproces op te voeren'.

Waarschijnlijk denkt Rozenblad dat ik daarvan uitga omdat ik melding heb gemaakt van haar benoeming tot procureur-generaal in strijd met bestaande procedures en de benoeming van het NDP-lid A. van der San tot advocaat-generaal. De verwijzing betreft echter uitsluitend het eventueel oppointeren (aanbrengen) van de eventuele strafzaak. Anders dan in Nederland kan in Suriname namelijk de minister van Justitie geen bevelen geven aan het OM een bepaalde strafzaak al dan niet te vervolgen. Er is dus `welwillendheid' van een of meer leden van het OM nodig om een strafzaak aan de strafrechter te kunnen voorleggen. Vanaf dat punt hoeft niemand er aan te twijfelen (en ik heb die twijfel zelf ook niet) dat mocht die weg alsnog toch nog worden gevolgd, het zal gaan om een serieus proces. Niemand kan voorbeelden aanhalen dat, zelfs ten tijde dat er sprake was van een heuse militaire dictatuur in Suriname, het anders was. Niemand hoeft daarom op voorhand te twijfelen aan de professionele integriteit van de leden van de Surinaamse rechterlijke macht (rechters plus leden van het OM).

Rozenblad zegt ook dat zij niet voornemens is het strafdossier-Bouterse bij haar Nederlandse collega's op te vragen. Dat moet zij om niet een blunder met fatale gevolgen te begaan ook niet doen. Volgens het Nederlands-Surinaams Uitleverings- en Rechtshulpverdrag moet de aanvraag niet door haar, maar door de (Surinaamse) minister van Justitie worden gedaan.