Wraakoefening op de criticus

Het heilzame therapeutische effect van een alter ego voor een schrijver mag niet onderschat worden. Die gedachte drong zich op na lezing van Bech at Bay, een `quasi-novel' van John Updike, waarin vijandige critici literaire genootschappen en het vercommercialiseerde uitgeefwezen hun trekken thuis krijgen.

Het boek vormt het sluitstuk van de trilogie, die opende met Bech: a Book (1970) en werd vervolgd met Bech is Back (1982), satirisch proza in de elegante stijl van The New Yorker, het blad waarvoor Updike graag en regelmatig verhalen schreef.

Updike bewijst in de beste verhalen uit deze `quasi-novel' dat hij zowel mild-ironisch als wrang kan schrijven. Boekstaafde hij in zijn Harry `Rabbit' Angstrom-romans de obsessies van het Amerika uit de jaren vijftig, zestig en zeventig, in Bech at Bay schetst hij een genadeloos, maar vermakelijk portret van een 70-jarige schrijver, verdwaald in de digitale jaren negentig.

Wie is Henry Bech? Een schrijver in de herfst van zijn leven, melancholisch soms rancuneus, maar nog steeds viriel en beducht om zijn literair prestige. Hoewel zijn schepper alle moeite doet om van hem een joods-Amerikaanse auteur met trekjes van Mailer, Malamud, Bellow en beide Roths te maken, blijft hij in essentie een afsplitsing van Updike.

Dat wreekt zich dan ook in de zwakste verhalen: `Bech in Czech' en `Bech Pleads Guilty'. In het begin keert de schrijver terug naar het Tsjechoslowakije van voor 1989. Meer dan wat stereotype observaties over samizdat-schrijvers en latent antisemitisme in het Oostblok levert dat niet op. Het tweede verhaal ademt de geest van de Hollywood-roman. Updike stuurt zijn held naar Los Angeles om een reportage over de filmindustrie te schrijven. Nadat hij een Hollywood-agent heeft beledigd, wordt hij wegens smaad voor het gerecht gedaagd. Ondanks allerlei prikkelende bespiegelingen over de cynische en arrogante Oostkust versus de creatieve levenslustige West-kust blijft het een te lang uitgesponnen expose over een voetnoot in een schrijversleven.

Updike komt pas op dreef in `Bech Presides', een wrange zedenschets over het New-Yorkse literaire wereldje. In deze episode laat de ouder wordende Bech zich overhalen het voorzitterschap van The Forty, een soort Academie Francaise, op zich te nemen. Tweemaal per jaar moet hij het demente gekrakeel en gezwatel van zijn bejaarde kunstbroeders aanhoren. Updike buit dit gegeven perfect uit. Van alle literaire modes uit de afgelopen decennia en het zelfgenoegzame gezwets van zijn New-Yorkse mandarijnen laat hij geen spaander heel.

`Bech Noir' is de gedroomde wraakoefening van elke schrijver, die zou willen afrekenen met de critici die zijn leven hebben verzuurd. Bech woont in dit verhaal bij zijn geliefde Robin, een sexy computerverkoopster, voor wie hij zijn vendetta aanvankelijk verzwijgt. Tijdens het laatste bedrijf van zijn reeks seriemoorden op boekbesprekers maakt hij in een vleermuiscape, geescorteerd door zijn helpster, het duistere New York alias Gotham onveilig. Geheel in het idioom van een roman noir beschrijft Updike hoe Bech zijn laatste literaire vijand liquideert.

Het slotakkoord van dit boek - `Bech and the Bounty of Sweden' - verraadt dat Updike zijn alter ego alsnog revanche gunt. Bech wiens werk vroeger nog in de kiosken op vliegvelden te koop was, maar nu een minor writer met een bescheiden oeuvre van zeven boeken is geworden krijgt onverwacht de Nobelprijs voor de Literatuur. Tijdens zijn verblijf in Stockholm hoort hij dat hij een compromiskandidaat was. Opnieuw geteisterd door een creatieve inzinking stelt hij het schrijven van zijn dankwoord uit tot het einde. Met zijn tien maanden oude baby op de arm bestijgt hij ten slotte het podium om de leden van de Zweedse Academie toe te spreken.

Het einde is heel amusant, maar echt overtuigen doet het niet. Niettemin heeft Bech at Bay genoeg te bieden voor een vrolijke namiddag. Updike's stijl is zo geestig en virtuoos dat je lachend blijft doorlezen. Al zijn sierlijke zinnen, geestige aforismen en aanstekelijke grappen kunnen echter niet verhelen dat de meeste verhalen te mooi lijken om waar te zijn.