Wat ik hoor is onoprechtheid; De rampzalige erfenis van Martin Heidegger

“Wanneer tegenwoordig iemand aan mensen die overtuigd zijn dat de aarde de vorm heeft van een pannekoek duidelijk probeert te maken dat dat aantoonbaar onjuist is, krijgt hij te maken met het verwijt dat hij de gevoelens van anderen niet respecteert.' Rudy Kousbroek over de overwaardering van het gevoel.

De naam van Heidegger komt in de Horizon van Buitenveldert (*) maar drie of vier keer voor, maar zijn spook waart er in rond zoals ook in ziekenhuizen de dood rondwaart zonder vaak bij naam te worden genoemd. Een interessante reactie - te veel eer eigenlijk voor zo'n onleesbaar boek - was de bespreking van Menno Lievers in NRC Handelsblad van 23 januari. Een sleutelpassage daaruit luidt: `Ten grondslag aan de houding van de auteurs ligt een opvatting over waarheid. Oudemans en Heumakers geloven dat de auteurs die zij bespreken [bedoeld wordt vooral Ernst Junger] iets gezien hebben dat wij nog niet weten. Voor hen zijn uitspraken dus waar voor zover ze een tipje van de sluier oplichten. Waarheid is onverborgenheid.'

Dat is in mijn ogen de enige werkelijk belangrijke kwestie verbonden aan het Buitenveldertse gezever: de kwestie van het waarheidsbegrip. Uit mijn hart gegrepen is de daaropvolgende passage, waarin Lievers betoogt dat dit waarheidsbegrip indruist tegen het ideaal van de Verlichting, dat hij in bescheiden vorm nog steeds de moeite van het nastreven waard vindt: `Dat ideaal is dat je nooit een bewering doet zonder voor de inhoud van die bewering een bewijs te hebben; dat je jezelf nooit zult tegenspreken, en dat je de plicht hebt zelfstandig na te denken.' Deze houding berust op een onafhankelijk waarheidsbegrip, waar iedere kritische analyse in wezen van uitgaat.

Het in Buitenveldert gehanteerde niet-realistische, als onverborgenheid gedefinieerde waarheidsbegrip is een onderdeel van iets dat de laatste jaren steeds verder om zich heengrijpt. Deze erfenis van Heidegger verspreid door postmoderne Franse filosofen a la Jacques Derrida, heeft over de hele (academische) wereld tot een regelrechte ramp geleid: het verloren gaan van het klassieke denkbeeld van de waarheid als iets dat onafhankelijk van ons en onze gevoelens bestaat.

Het gevolg is dat gevoelens de authentieke criteria zijn geworden waarnaar alles wordt beoordeeld.

Het is een instelling die ieder redelijk debat tot een vergeefse onderneming maakt, met catastrofale consequenties voor de visie op het verleden en de geschiedenis. Wanneer nu iemand aan mensen die overtuigd zijn dat de aarde de vorm heeft van een pannekoek duidelijk probeert te maken dat dat aantoonbaar onjuist is krijgt hij te maken met het verwijt dat hij de gevoelens van anderen niet respecteert. Het is wat de ontwikkeling van de zogenaamde political correctness mogelijk heeft gemaakt. Ik voer al jaren oorlog tegen een bepaalde vorm ervan, namelijk die van: `spreek mij niet tegen want ik heb veel geleden.'

Het ontbindingsproces is feitelijk al langer aan de gang en je komt het in de meest onverwachte vormen tegen. In `De wereldgeschiedenis in Hit-singles', de amusante rubriek in NRC Handelsblad van Bernard Hulsman en Pieter Steinz, was Les 9 gewijd aan de Verovering van Amerika. Over het nummer `Cortez the Killer' van een lp van Neil Young getiteld Zuma, die in 1975 de zesde plaats van de album Top 100 haalde: `In dit lange, klagelijke gitaarnummer schetst Young een paradijselijk beeld van het Aztekenrijk dat de Spaanse conquistador Cortes in 1519 wist te veroveren: `Hate was just a legend /War was never known'.' Meer recentelijk, in 1995, stond een soortgelijke cd van Vangelis, getiteld 1492 - The Conquest of Paradise', nog 10 weken lang als nummer een van de Top 100.

Die songtekst `Hate was just a legend, war was never known' zou kunnen dienen als motto voor de manier waarop zowel van het verleden als van niet-westerse culturen iets gemaakt wordt dat nooit bestaan heeft.

Amerikaanse Indianenstammen die bekend stonden om hun bloeddorstigheid, worden nu aan het Westen ten voorbeeld gesteld als `zo warm en zo liefdevol'. Idealisering is iets van alle tijden. Nieuw is dat een ontkenning ervan veroordeeld wordt als een bewijs van gevoelsarmoede en gebrek aan respect voor andere culturen, waarbij grote haat en woede aan de dag kan worden gelegd. Tastbare bewijzen voor de geldigheid van zo'n ontkenning worden van de hand gewezen als irrelevant, het onthult alleen maar dat je `niet openstaat voor andere waarheden' - dat is wat er is veranderd, zonder enige twijfel in het kielzog van het postmoderne filosofengebroed dat uit het ei van Heidegger is gekropen.

Er is wel wat verzet tegen, maar tamelijk weinig en vermoedelijk te laat. Als je de commentaren leest van bijvoorbeeld John Searle (die van de Chinese kamer) ziet het er naar uit dat in Amerika al hele lichtingen van studenten als verloren moeten worden beschouwd, geindoctrineerd door de vele professoren in dat land die het postmoderne licht uit Frankrijk hebben gezien. Van de literatuur die gebruikt wordt aan allerlei kleinere universiteiten hebben wij hier geen vermoeden, maar van een bevriende dierenarts, Dr. Bootsma (een autoriteit in Nederland op het gebied van vijvervissen), met wie ik wel eens correspondeer, kreeg ik inzage van de inleiding bij een History of Psychology zoals onderwezen door Thomas Hardy Leahey, professor aan de Virginia Commonwealth University. Het was zo doctrinair dat ik er van schrok; wat me ook opviel was hoe het mij fysiek tegenstond - de terminologie, het schrale en repetitieve taalgebruik, de onverzoenlijke toon. Het was goedbeschouwd hetzelfde als wat mij zo tegenstaat in de teksten van Heidegger, Derrida, Bourdieu Sloterdijk en noem maar op, nu dus afgezien van de obscure taal.

Wat ik er in hoor is onoprechtheid. Het is de toon van mensen die bij zichzelf een soort elementair fatsoen de nek om hebben gedraaid; zelfs de bijbehorende stembuiging in het Amerikaans is herkenbaar. Ook sommige nieuwslezers van CNN hebben zulke stemmen.

Of de situatie hier in Nederland veel beter is weet ik niet. Ik kwam onlangs een paar uitspraken tegen van een filosoof genaamd Hein van Dongen, die zich keerde tegen het `objectivisme van het Westerse wetenschappelijk wereldbeeld', maar hoe representatief dergelijke gedachten zijn kan ik niet beoordelen. Hoe gangbaar is hier onder `jongeren' het postmoderne, relativistische waarheidsbegrip? Ik heb er geen idee van. Feit is dat Connie Palmen, die gezien wordt als een bij uitstek filosofische schrijfster, heeft kunnen zeggen, zonder dat iemand zich er druk om maakte: `de meest fundamentele houding tegenover de waarheid is de religieuze houding.'

Er is al een aantal boeken over dit onderwerp verschenen, en nog kortgeleden heeft Ian Buruma het ter sprake gebracht in zijn Lionel Trilling lezing (op 5 november aan de Columbia Universiteit). Wat Buruma verontrust is de verbinding van dat waarheidsbegrip met een streven naar slachtofferschap. Het alarmerende, zegt hij, is de mate waarin naties en minderheden zichzelf zijn gaan presenteren als historische slachtoffers, kennelijk naar het voorbeeld van de joodse holocaust. Het is of iedereen daar al of niet bewust mee wil concurreren, in wat als een Olympics of Suffering zou kunnen worden beschreven. Ik vat hier nog een paar passages samen: nationale en individuele identiteit berust meer en meer op een pseudo-religie van slachtofferschap (echte religie is te veeleisend en te moeilijk).

Historiografie is steeds minder een kwestie van uitzoeken wat er werkelijk gebeurd is, of van het vinden van verklaringen hoe dingen gebeurd zijn; de historische waarheid is niet alleen irrelevant geworden, maar steeds meer mensen gaan er van uit dat er niet zoiets als een historische waarheid bestaat. Alles is subjectief, alles is een socio-politieke constructie (dat is zuiver Heidegger). En dus bestuderen we `herinnering', d.w.z. de geschiedenis zoals die gevoeld wordt bij voorkeur door de slachtoffers, als die er zijn. `By sharing the pain of others we learn to understand their feelings.'

Deze gedachte die zich niet alleen in de historiografie maar meer en meer ook in de gewone literatuur laat gelden, heeft nog een eigenaardige keerzijde waar ik meermalen mee te maken heb gehad. Zo is er bijvoorbeeld het verhaal van iemand die geboren werd in een Japans kamp op Java. Hij heeft nooit last gehad van enige nasleep daarvan, hij was drie toen de oorlog voorbij was en had verder een normale jeugd in Europa. Tot het moment dat hij met Bezonken rood van Jeroen Brouwers in aanraking kwam. De daarin beschreven gruwelen grepen hem zo ernstig aan dat hij zich onder psychiatrische behandeling moest stellen en in een kliniek terecht kwam.

Niet dit feit zelf is zo opmerkelijk: ik heb er vaker de aandacht op gevestigd dat mensen die zich op een Indische slachtofferstatus beroepen wel op ondraaglijke wijze aan het verleden worden herinnerd wanneer een Japanse kardinaal op 15 Augustus een krans bij het monument voor de Indische Oorlogsslachtoffers wil leggen, maar van het lezen van boeken als Bezonken rood geen enkele hinder ondervinden. Integendeel, ze maken elkaar op zulke boeken opmerkzaam, alsof zij er juist door werden gesterkt.

Waar het hier om gaat is dat de psychische moeilijkheden van de zojuist beschreven Indischman nu het karakter hebben gekregen van een soort bewijs van authenticiteit annex een verbod om de inhoud van Bezonken rood aan te vechten. Ook al kan worden aangetoond dat het beschrevene niet op feiten berust (en dat kan), dan nog mag dat niet gebeuren omdat daarmee `iemands leed wordt ontkend'.

Wat niet mag is `leed vergelijken' dat op een directe manier voortvloeit uit de gedachte dat er geen historische waarheid bestaat, zodat er geen andere maat dan gevoelens bestaat. Die gedachte kom je op de meest onverwachte plaatsen tegen; zo hield in een artikel in het Nederlands Juristenblad (4-3-94) Mr E.J. Dommering vol dat het `niets uitmaakt' of je nu in een Duits concentratiekamp of in `het Jappenkamp' zat: `Om het in eenvoudig Nederlands te zeggen: of je nu door de hond of door de kat gebeten wordt'. Het feit dat ik er de aandacht op heb gevestigd dat je tien keer zoveel kans had levend uit een Japans kamp dan uit een Duits concentratiekamp te komen was voor hem een aanleiding mij te beschrijven als `de discussieleider van een ergheidsdebat.'

Het perspectief op zulke uitspraken is nu duidelijker geworden. Een andere vroege boodschapper van deze nieuwe lente was de historicus Professor C.Fasseur, die in een bijdrage aan de bundel 1940-1945: onverwerkt verleden? verdedigde dat slachtofferschap het recht geeft zich niet om de historische waarheid te bekommeren; hij claimde in dat artikel een `recht op gezonde rancune' en citeerde iets dat hij voor `onvergetelijke versregels' aanziet namelijk een cabarettekst van Wim Kan waarin deze betreurt dat de keizer van Japan niet opgehangen is.

Deze merkwaardige feiten heb ik wel eens meer beschreven, maar hier komt er nog een waarvan ik niet eerder op de hoogte was: dat een socioloog genaamd J.C.Gerritsen (Rijksuniversiteit Groningen) wilde dat het mij in 1994 toegekende ere-doctoraat mij onthouden zou worden, omdat ik `het lijden van de Indische geinterneerden ontkende'. Hij dacht dat ik de Indische kampen met de Duitse had vergeleken `om het leed te bagatelliseren' en riep uit dat `emoties niet getoetst kunnen worden zoals feiten' (blijkbaar in de veronderstelling dat er mensen zijn die denken dat dat kan). Het was te voorzien dat het bekende prive-karakter van emoties vroeger of later de postmoderne gedaante zou krijgen van: `emoties zijn altijd juist' - en misschien zelfs dat het een socioloog zou zijn die het zo zou formuleren; in elk geval is hij degene die dat werkelijk in zoveel woorden heeft gezegd. Niet alleen achtte hij mij een doctoraat onwaardig (en dat ben ik natuurlijk ook), maar bovendien vond hij dat mij `ruimte in de krant ontzegd zou moeten worden'.

Ten slotte wilde ik nog iets zeggen over The Last Word van Thomas Nagel (Oxford UP). Thomas Nagel is met W.V.Quine een van de meest spirituele en subtiele filosofen van Amerika; hij is ook de samensteller van het onvolprezen The World of Mathematics (Simon & Schuster 1956). Het zegt wel iets dat iemand als Nagel de teloorgang van het klassieke waarheidsbegrip blijkbaar ziet als zo verontrustend dat hij niet volstaat met een artikel maar er een heel boek aan heeft gewijd.

Wat mij frappeerde van dit boek (dat in Boeken al werd besproken door Menno Lievers op 27-3-98) is dat het ook te zien is als een pleidooi voor eenvoudige oprechtheid.

De zaak is dat wij er feitelijk met groot vertrouwen van uitgaan dat er een objectieve werkelijkheid is buiten ons. We zouden ons heel anders gedragen als we dat niet deden. De gedachte die mij voortdurend achtervolgt wanneer ik te maken krijg met manifestaties van die doctrine dat bepaalde dingen niet echt waar zijn maar afhankelijk van ons geslacht, onze huidskleur, onze ethnische groep of iets dergelijks, is dat iedereen au fond heel goed weet dat dat niet waar is, en zich ook gedraagt alsof hij weet dat anderen weten dat het niet waar is. Het is in feite een kunstmatig standpunt, dat beleden wordt om opportunistische redenen. Het relativistische (Heideggeriaanse postmoderne) waarheidsbegrip is een soort machtsmiddel om anderen de mond te kunnen snoeren, om een eigen belang of de eigen wil door te kunnen drijven, om anderen te sarren of uit pure bloody-mindedness. Maar ik denk dat bijna niemand echt, intiem, betoel-betoel de overtuiging heeft dat twee dingen tegelijk waar kunnen zijn en dat de werkelijkheid om hem heen niet onafhankelijk van hem bestaat.