Vrouwen met ruggengraat; Franse literaire prijzen

Veel feministische carrierevrouwen liepen er in Frankrijk sowieso al niet rond. Nu de zevende roman van Paule Constant, vorige week bekroond met de prix Goncourt, massaal gelezen zal gaan worden, zullen ook die laatsten der mohikanen zich nog eens ernstig op hun feminisme gaan beraden - een ontwikkeling die Jules de Goncourt, aan wiens nagedachtenis de prijs zijn naam ontleent, zeker zou hebben toegejuicht.

Eerdere romans van Paule Constant (54), die literatuur doceert aan de universiteit van Aix-en-Provence, waren vooral geinspireerd op haar leven buiten Frankrijks grenzen: Cayenne (Frans Guyana, waar haar vader arts was in een inrichting voor dwangarbeid), Djibouti, Kameroen, Brazilie en Ivoorkust. Voor haar roman over Afrika, White Spirit, kreeg zij in 1989 de Grand Prix du Roman de L'Academie francaise en vier jaar geleden liep haar roman La fille du gobernator, over haar vader en haar jeugd in de tropen, net de Goncourt mis.

Confidence pour confidence is gesitueerd in Kansas, in het plaatsje Middleway `tussen Los Angeles en New York, in een cultureel no man's land'. Vier vrouwen die er hebben deelgenomen aan een jaarlijks feministisch congres en die bij de organisatrice thuis logeren, raken tijdens het ontbijt met elkaar aan de praat. De vrouwen, allen bannelingen, allen in de vijftig en onafhankelijk, hebben zonder uitzondering carriere gemaakt aan de universiteit, in de literatuur of in de filmwereld. Ze beheren indrukwekkende budgetten en beschikken, ieder op hun vakgebied, over macht en aanzien. Terwijl ze wachten voor de douche, een kop koffie drinken en hun koffer weer inpakken, laten ze hun leven de revue passeren. Het blijkt een aaneenschakeling van amoureuze mislukkingen, eenzame avonden emotionele leegte, onzekerheid, angst voor ouderdom en lichamelijke aftakeling. Wanhopig vragen de vrouwen zich af waar de mannen toch gebleven zijn en waarom ze in 's hemelsnaam ooit besloten geen kinderen te krijgen.

In het landhuis waar de vrouwen logeren, regeert de macht van de centrale computer geinstalleerd door een inmiddels vertrokken echtgenoot. De computer bepaalt wanneer de deur wordt ontgrendeld, wanneer de ramen open gaan en wanneer de wasmachine gaat draaien.

L'enfer, c'est les autres (de hel, dat zijn de anderen) schreef Sartre in zijn toneelstuk Huis clos (Met gesloten deuren) en ook in dit gekooide gezelschap vindt iedere vrouw feilloos de zwakke plek van de ander. Solidariteit, trouw en de veelgeprezen intieme vrouwelijke vriendschap zijn bij Constants feministes ver te zoeken. Slechts een enkeling vindt even troost, bij een huisdier.

Het huis clos, dat in films van Ingmar Bergman, Woody Allen en in het toneel van Jean-Paul Sartre schitterend werd uitgewerkt, leent zich bij uitstek voor heftige persoonlijke woordenwisselingen. Constant echter onderbreekt steeds de discussie tussen de vrouwen om, in verhalende terugblikken, het verleden van een van hen te schetsen noodzakelijk voor een goed begrip, maar fnuikend voor de puntigheid en het ritme van de dialogen.

Het chaotische karakter van het boek wordt versterkt doordat de schrijfster er, op een onhandige manier, een aantal vervreemdende autobiografische elementen in heeft verwerkt, zoals een dood aapje uit haar jeugd een gemaltraiteerde rat die een universitair collega voor haar ogen de nek omdraaide en haar eigen wraakgevoelens ten aanzien van de Frans-Kameroense schrijfster Calixthe Beyala die een eerdere roman van Constant plagieerde.

Confidence pour confidence een verraderlijk zoete titel voor een hels samenzijn is een roman die niet alleen moeilijk te lezen, maar ook moeilijk te duiden is. Voor een satire op het agressieve, extreme feminisme in de VS, blijft het boek te veel steken in een larmoyante klaagzang over het verlies van liefde en lichamelijke schoonheid. Voor een zwarte komedie over het leven van de moderne, oudere vrouw bevat het boek te weinig humor.

Wat vooral aan deze Goncourt ontbreekt, is gepassioneerde bevlogenheid, waardoor het boek vermoedelijk vaak onuitgelezen in de kast zal belanden.

Van een heel ander kaliber is Le manuscrit de Port-Ebene van Dominique Bona, na heftige discussies en pas bij de tiende stemmingsronde uitverkoren voor de prix Renaudot. Net als de eerder gelauwerde Anne Wiazemsky (Grand Prix de l'Academie francaise), Homeric (Medicis) en Francois Cheng (Femina) belicht Bona (45) vanuit een historisch oogpunt, in de vorm van een roman een revolutionaire periode. Plaats van handeling is Hispaniola, het eiland dat in 1492 door Columbus werd ontdekt, in 1697 voor de helft door de Fransen werd bezet en omgedoopt tot Saint-Domingue, het huidige Haiti.

Bona schreef behalve vier romans ook vier biografieen, waaronder die van de Franse schrijver Romain Gary (Prix de la Biographie de l'Academie francaise, 1987) en van de Oostenrijker Stefan Zweig (1996). Met de degelijkheid en de precisie van een doorkneed biografe beschrijft Bona in Le manuscrit de Port-Ebene het landschap en het leven op Saint-Domingue, dat in het midden van de achttiende eeuw, dankzij de winstgevende koffie- en suikerrietplantages, tot de rijkste Franse kolonien behoorde.

Vertelster in het boek is une grande dame de Saint-Domingue die in klassiek, vloeiend Frans, beschrijft hoe zij als meisje afkomstig uit de Vendee, plompverloren werd uitgehuwelijkt aan een Franse landeigenaar op het tropische eiland. Bij aankomst bleek haar echtgenoot, volgens het geldende koloniale recht, al een inheemse, zwarte vrouw te bezitten Venus, symbool van vruchtbaarheid en sensualiteit en vader te zijn van twee volwassen zoons. In haar memoires doet de grande dame niet alleen verslag van haar amoureuze desillusies en van haar overspel natuurlijk, met haar stiefzoon maar ook van de groeiende sociale onrust en de opstand van de slaven en de kleurlingen tegen hun blanke meesters.

Na berichten over de Franse Revolutie in het moederland waarbij `voor een man, een stem' werd opgeeist, begon, onder leiding van de fameuze slavenleider Toussaint Louverture, de bloedige onafhankelijkheidsoorlog, die leidde tot de verdrijving van de Franse bezetter in 1804.

Mateloos wordt de vertelster gefascineerd door het exotische, het onverklaarbare, het niet-rationele dat het dagelijks leven op Saint-Domingue een onderhuidse spanning meegeeft. Bijgeloof zwarte magie, voodoo-praktijken en mysterieuze banden met de duivel of met het kwaad spanden samen om het moreel en de zekerheid van de overheerser te ondermijnen, net als mondeling overgeleverde legendes en verhalen, waarvan de vertelster er vele in haar memoires noteert. Uiteindelijk verliest de grande dame al haar dierbaren, op haar dochter na. Volledig berooid keerde ze terug naar het minstens net zo roerige post-revolutionaire Frankrijk, waar ze vastberaden en met de moed der wanhoop een nieuw bestaan opbouwde.

Twee eeuwen later, zo meldt Bona, belandde het manuscript in de handen van een Zuid-Franse uitgever die als pied-noir (Fransman die in Algerije woonde totdat het land onafhankelijk werd) geheel in de ban raakte van het ballingschapsavontuur.

Je kunt je afvragen of deze kunstgreep een verhaal binnen een verhaal een gelukkige is. De kort aangestipte, maar niet minder ingrijpende jeugdherinneringen van de uitgever vallen immers in het niet bij de ruim bemeten aardverschuivingen die het lot bepaalden van het meisje uit de Vendee. Le manuscrit de Port-Ebene is niet alleen een fragment uit de gewelddadige biografie van een exotisch eiland, maar ook een ode aan een onbekende achttiende-eeuwse dame met ruggengraat.

Van haar kunnen de vrouwen van Paule Constant nog het een en ander opsteken.