VROEGE LEERMEESTERS; Over sjieke en ordinaire literatuur

`Kruitdamp en paardehoeven', `Een liefde in Parijs': als jongetje in het kamp in Bandoeng verslond F. Springer zulke boeken. De scheiding tussen triviale lectuur en Grote Literatuur doet er niet toe, stelt hij in zijn Verwey-lezing.

In 1942 veegden de Japanse legers hardhandig en in de tijd gemeten in een vloek en een zucht de trotse maar ook gezapige kolonie Nederlands-Indie van de kaart.

Wij woonden in Bandoeng, toen nog op oud-vaderlandse wijze met oe geschreven. Mijn vader was leraar aan het Christelijk Lyceum in die stad. Hij gaf Duits, maar die taal werd op de scholen in Indie al snel na 10 mei 1940 taboe verklaard. Hoewel ook de taal van Goethe en Thomas Mann, diens zelfverklaarde plaatsvervanger op aarde, was Duits voortaan in Indie alleen nog maar de taal van de vijand. Mijn vader werd bijkans van vandaag op morgen hulpdocent Nederlands en gelukkig voor hem was het Lyceum christelijk en hij zelf ook, dus kon hij met godsdienstonderwijs zijn verplicht aantal lesuren halen. Hij was toen 35. Natuurlijk werd hij ook landstormsoldaat - iedere europese man die in Indie kon lopen en fietsen werd opgeroepen -, en vlak voor de komst van de Japanse troepen bombardeerde men hem zelfs nog tot reserve tweede-luitenant van het Kon.Ned.Ind.Leger. Hoewel militaire organisaties waar het dienstplichtigen betreft, vaak uitmunten in het zetten van de verkeerde man op de verkeerde plaats, kreeg mijn vader warempel zinvol en nuttig werk, en wel bij de cryptologische afdeling van het geallieerde hoofdkwartier, Nederlands-Indisch, Brits, Australisch, toen dat, op de terugmars uit Azie - voortgebezemd door de Japanners - enige tijd op Bandoeng bivakkeerde, op nog geen tien minuten van onze straat verwijderd. Daar was mijn vader, samen met anderen, belast met het coderen en decoderen van geheime telegrammen die de geallieerde bevelhebbers ter zee, te land en in de lucht met elkaar wisselden in die eindfase van de strijd om Nederlands-Indie, ach, van de strijd om geheel koloniaal Azie.

Ik was trots op mijn vader als ik hem 's morgens op zijn fiets zag wegrijden, in zijn groene uniform, kakiputtees om de kuiten soldatenkistjes aan de voeten, bivakmuts schuin op het hoofd, een revolver op zijn heup bungelend, en een pakje brood onder de snelbinder.

Wanneer hij thuis kwam, was hij heel moe en somber en gaf geen antwoord op onze vragen en die van nieuwsgierige en angstige buren. Allemaal wilden wij weten hoe beroerd onze zaak er vandaag weer voorstond - en als een dat wist, was dat natuurlijk de man die als eerste de telegrammen van de Nederlandse, Engelse en Australische generaals en admiraals te lezen kreeg. Hij mocht niets zeggen, alles zeer zeer geheim, en hij zei niets maar aan zijn gezicht zagen wij dat het snel slechter ging en dat de geruchten over vijandelijke landingen op eilanden van onze Archipel helemaal geen geruchten waren.

En toen het hoofdkwartier bij ons om de hoek werd opgedoekt, de generaals vertrokken waren, en de laatste geheime documenten en de code-apparatuur vernietigd, zaten wij daar in ons vriendelijk villaatje in een lief laantje aan de rand van het koele lustoord Bandoeng, en wachtten af.

Vele uren zat mijn vader stil in zijn studeerkamer, achter het bureau waar hij niet lang tevoren nog avond aan avond bijlessen Nederlandse taal had gegeven aan minder snel van begrip zijnde lyceisten. Drie wanden vol boeken, een kast zo hoog dat er een trapleertje voor stond. De duitse klassieken in mooie, uniforme rijen, over wie hij toen op school niet meer mocht spreken. Ik kwam hem welterusten zeggen. Zijn dienstrevolver lag voor hem op het bureau. `Die heb ik vergeten in te leveren', zei hij, `maar niemand vroeg er naar.

Ik heb nooit geleerd hoe je moet omgaan met dat ding, maar ach, dat is nu ook niet meer nodig`. En hij wees op de boeken om ons heen en zei tegen mij: `Ik ga weg van jullie, misschien wel voor heel lang, maar wil jij dan op mijn boeken passen? Je kunt nog wel geen duits en engels lezen maar je weet hoeveel ik van ze houd en als ik terugkom, zal ik je gauw die talen leren, vooral Duits, want Goethe is eeuwig en die heeft alles gezegd wat een mens moet weten.'

En hij ging, en alle beroepsmilitairen en landstormers gingen, en in de weken en maanden daarna volgden de andere mannen uit onze laan: de ouderen, de zieken, de afgekeurden - maar wij, vrouwen en kinderen leefden voorlopig, ongehinderd maar toch bang, verder in onze indische binnenhuisjes.

Ik nam het verzoek van mijn vader, om tot zijn terugkomst op zijn boeken te passen heel ernstig. Ik zat nu op mijn beurt uren in zijn kamer, staarde naar zijn boekenkasten en naar het bakje met scherp geslepen potloodjes waarmee hij proefwerken corrigeerde. Heel veel later gebruikte hij net zulke potloodjes om de drukproeven van mijn eerste publikaties op fouten te controleren. In de meeste boeken rondom mij, waarvan ik er af en toe een eerbiedig in handen nam, had hij zijn handtekening gezet, maar die was onleesbaar, dus leek het mij goed de mijne, zeer leesbaar, want in kinderlijke hanepoten, onder de zijne te zetten, compleet met adres. Dan zou er in elk geval later nooit aan getwijfeld kunnen worden wie de eigenaar van die boeken was, en als vader terugkwam zou hij zeker niet erg vinden wat ik gedaan had.

Toen mijn moeder de oproep kreeg najaar 1942, om te verhuizen naar een ander deel van de stad, dat als kamp voor europese vrouwen en kinderen moest dienen, was ik nog lang niet klaar met mijn bibliothecaris-arbeid, maar behalve hoognodig meubilair en huisraad dat we toen nog mochten meenemen (het was pas het begin van de kamptijd), konden die honderden boeken van mijn vader natuurlijk onmogelijk mee verhuizen.

Maar ik heb hem beloofd dat ik ze voor hem zou bewaren, huilde ik tegen mijn moeder.

Enkele jaren na de oorlog werd er bij ons in Den Haag een kist bezorgd, vol Goethe, Lessing, Heine Schiller, met sporen van waterschade en veel platte, uitgedroogde kakkerlakken er tussen. Kort briefje van een onduidelijke instantie er bij: `aangetroffen in Depot 10 te Bandoeng en aan eigenaar te retourneren onder rembours'. En die eigenaar was ik, want mijn naam stond op alle schutbladen, uitstekend leesbaar vanwege de hanepoten.

Mijn vader keek mij aan. `Je hebt je belofte gehouden', zei hij.

Goethe en alle andere vrienden van mijn vader kon ik als tien-jarige niet lezen, maar wel was ik al bevangen door een niet te stillen leeshonger. De geijkte lectuur voor een jongen van tien, toen: Dr. Karl May's reisavonturen, die dikke pillen met een fraai uitgedoste indiaan op het omslag; Jules Verne de serie in de even bekende blauwe harde kaft met oude gravures tussen de tekst waardoor Kapitein Nemo voor eeuwig op mijn netvlies bleef; Pietje Bell en zijn kwajongensstreken - dat alles had ik al lang achter mij gelaten. De jeugdboeken die ik op verjaardagen cadeau kreeg en die volgens de uitgever `geschikt waren voor jongens en meisjes van 8 tot 12 jaar' vond ik oersaai en die gaf ik dan ook ongelezen door aan mijn jongere broer en die vond er, geloof ik, ook al gauw geen bal aan. Van een iets ouder vriendje uit onze straat, zestien was die al, dus in mijn ogen een hele Piet, baard in de keel, dons op de kin, Gerrit Lanting heette hij mocht ik een paar deeltjes Tarzan lezen - kleine boeken, in lichtbruine omslag. Tarzan van de Apen, Tarzan en de juwelen van Opar, De wilde dieren van Tarzan.

Dat was spannender kost.

Even terug naar Kerstavond 1941. Mijn vader stak de kaarsen aan in onze kerstboom - vijf jaar duurde het voordat wij hem dat weer zouden zien doen -, en las ons een kerstverhaal voor. Plot: nukkige, dwaze jongen wil met Kerstmis niet met zijn ouders mee naar de kerk, `geloven in Jezus, dat doe ik niet`, snauwt hij en blijft thuis, alleen in de boerderij, en een storm steekt op, hij hoort `help, help!' roepen en redt een drenkeling en zijn ouders en de dominee prijzen hem. Dat was de strekking van het verhaal dat mijn vader onder de kerstboom voorlas. Ik zag de goede afloop al aankomen en vond het maar melig, en dat liet ik te duidelijk merken, want hij onderbrak zichzelf en vroeg waarom ik niet oplette, net als de andere ademloos toeluisterende aanwezigen. `Omdat ik Tarzan veel spannender vind', zei ik brutaal. `Tarzan? Wie is dat?' De goede man, mijn eigen vader, had nog nooit van Tarzan gehoord! Ik haalde van onder een divankussen het deeltje De wilde dieren van Tarzan te voorschijn. `Kent u dat boek niet? En u hebt alles gelezen'.

Hij bladerde, onder doodse stilte, de kaarsen flakkerend in de boom, onze huisbediendes op hun hurken in een hoek van de kamer, met vragend opgetrokken wenkbrauwen een ogenblik in Tarzan vroeg mij toen hoe ik aan die `kitsch' kwam. `Niet geschikt voor jou. Baarlijke nonsens', was zijn verpletterend oordeel. Helaas voor mij bleef het die laatste kerstavond in `ons Indie' niet bij dat vonnis.

Er woonde bij ons in huis een lang, blond meisje. Ze heette Polly en zat bij mijn vader op het lyceum. Haar ouders woonden op een afgelegen onderneming op Sumatra. Zij was achttien en twee keer blijven zitten en ze had steeds hopeloos slechte rapporten, maar ook beleefde zij vele kortstondige, doch daarom niet minder heftige liefdesavonturen met vooral adelborsten, van wie zij dacht dat die haar de een na de ander, tot in eeuwigheid zouden beminnen.

Maar niets beklijft in dit leven. Niet alleen vanwege de adelborsten vond ik het begrijpelijk dat haar prestaties op school diep onvoldoende waren. Soms bespiedde ik haar en dan zat ze nooit huiswerk te maken, maar dan lag ze op haar buik op bed, benen achter zich in de lucht, een boek voor zich en een doos bonbons naast zich die zij in hoog tempo leeg at. Dit was zonder meer al een fascinerend gezicht voor een jongen van tien, maar toen ik ontdekte wat ze, half in trance, lag te lezen, wilde ik, hoewel veel te jong voor adelborst, niets liever dan Polly's vriendje zijn. Flash Gordon! De vroege science fiction stripverhalen van Alex Raymond. Een heldendicht van avontuur. Bemande raketten naar onbekende planeten. Bizarre, boosaardige wezens, gevleugelde monsters, en alles in werkelijk schitterende, geniale tekeningen. Flash Gordon en zijn strijd tegen de buitenaardse keizer Ming kenden wij jongens uit het populaire Indische weekblad d'Orient, maar nu was dat epos ook in boekvorm verschenen en Polly had een exemplaar! Ik wist niet hoe gauw ik bij haar in het gevlei moest komen. Dat was niet moeilijk. 'Heb je je huiswerk al af?', hoefde ik maar te vragen toen ze me zag gluren, en ze wou al meteen een deal maken. 'Niks tegen je pa zeggen', zei ze.

Ach , zij was zo lief, Polly, want ze wou mij Flash en keizer Ming niet lenen, zei ze, maar cadeau geven, en dat deed ze dan ook. Jammer genoeg legde ze het door mij zo fel begeerde prachtboek onder diezelfde laatste kerstboom van ons tempo doeloe. En Flash Gordon, daar had mijn vader wel degelijk van gehoord. In de leraarskamer had een collega dat stripverhaal getypeerd als smaakbedervende onzin, ziekelijke fantasie, niet geschikt voor christelijke scholieren.

Brave leraren waren het, in een brave lang verzonken tijd.

Polly, mijn vriendin, wier geheime passies voor adelborsten en fictieve astronauten ik niet verraden had, moest het boek terugnemen en zij en ik hebben toen een beetje gehuild, na het feest, in haar kamertje en natuuurlijk heb ik het boek die kerstnacht toch gelezen in bed, met een zaklantaarn, en een oor gespitst in de richting van mijn vaders kamer.

W.G. van de Hulst, Karl May, Jules Verne en alle andere jeugdboeken al lang gepasseerde stations; Flash Gordon verboden Tarzan anathema, ja wat moet je dan als tien-jarige in 's hemelsnaam lezen? Maar de verhuizing naar het vrouwenkamp loste mijn lectuurproblemen op. Mijn moeder, broertjes en ik kregen anderhalf kamertje toegewezen in een kabouterhuisje, in een hofje waar tot voor kort ouden van dagen gewoond hadden. Waar die gebleven waren wisten we niet. Een poortje onderdoor waarop Emma Hofje geschilderd stond en dan kwam je in een smal straatje, niet meer dan een stenen pad, met aan weerszijden van die kabouterhuisjes, die binnen een paar dagen volgepropt werden met vrouwen en kinderen uit andere wijken van Bandoeng.

Aan het eind van het stenen pad met lilliputterhuisjes was een zaaltje waar in betere tijden de bejaarde bewoners van het hofje samenkwamen voor kerkdiensten. Een hele zijwand van 't Zaaltje werd in beslag genomen door boekenkasten. Dit was de bibliotheek van het bejaardenhofje en dit was een boekenschat die zich wel ogenblikkelijk voor mij ontsloot. Niks geen ontoegankelijke Goethe Lessing en Heine in Gotisch geheimschrift, zoals in vaders kamer, maar een heiligdom dat zonder enig wachtwoord betreden kon worden. Lange rijen kleurige banden, beduimeld en half stukgelezen vaak; boeken uit de vorige eeuw stonden er, maar voornamelijk toch romans uit de jaren twintig en dertig van onze eeuw, en allemaal in het Nederlands, om het de eenvoudige zielen die hier gehuisd hadden (en ook mij) gemakkelijk te maken.

Liefdesverhalen, detectives, avonturenromans, stuk voor stuk boeken waarvan er niet een een plaats in vaders kast verdiend zou hebben, dat wist ik zeker, maar hij was er niet meer om mij het plukken van die verboden vruchten te verbieden, en ik kon mij vele maanden achtereen ongestoord door die paar honderd exemplaren ontspanningslectuur heen eten gulzig en onverzadigbaar.

Voor een fraaie definitie van het genre boeken dat de bandoengse ouden van dagen te consumeren kregen (wonderlijk genoeg waren er in die kasten maar weinig zogeheten stichtelijke boeken te vinden terwijl het Emma Hofje toch een protestants-christelijke signatuur droeg) kunnen we terecht in Meyers Groes Handlexikon: `Trivialliteratur: Schrifttum ohne literarischer Anspruch und in billiger Aufmachung ...Gut und Bose stehen undifferenziert gegeneinander, Abenteuer und Gefahr umgeben den Helden. Das wirkliche Leben und seine Problemen werden weitgehend durch eine Scheinrealitat ersetzt.'

Nou, zo voelde ik het als tien-elfjarig ventje niet, en de bejaarde lezers en lezeressen voor mij waarschijnlijk ook niet. Ik kon in zo'n romantisch verhaal vol Scheinrealitat onmiddellijk in de huid van de held kruipen, zijn hartstochten waren niet verpakt in psychologisch gezwam. Recht voor zijn raap traden mijn triviaalridders het kwade tegemoet en zij zegevierden altijd. Helemaal mooi was het als zij op de laatste bladzij ook nog de al dan niet heimelijk beminde vrouw in hun armen sloten, en dat was inderdaad meestal het geval.

Het aardige van dit soort boeken vooral voor een aankomend, nog niet met kritisch inzicht belast lezertje is dat je niet in de gaten hebt dat je steeds een en hetzelfde verhaal voorgeschoteld krijgt, of het nou in donker Afrika, zondig Parijs of het ruwe Wilde Westen speelt, om weer een paar cliche-adjectieven te gebruiken.

Je hoeft alleen maar over een simpele ziel te beschikken en een beetje naief, sentimenteel en escapistisch van aanleg te zijn. En zo zat dit kampjongetje anno 1943 wel in elkaar. (Soms denk ik, kon je je hele leven maar zo ongecompliceerd blijven lezen).

Een paar titels van wat er zoal in die oude kampbibliotheek te vinden was.

Kruitdamp en paardehoeven, door Eugene Cummingham. Ooit van gehoord? Bij gebeefd van spanning. De dood van een gravin, door Francis Johnson. Bij gehuild. Een liefde in Parijs, door Frederic Marton. Erectietjes bij gehad. Deze drie namen heb ik met moeite uit mijn geheugen opgevist.

En dan zijn er de schrijvers die vertoeven in een soort grensgebied tussen de echte oftewel grotemensenliteratuur en de ontspanningslectuur. De literaire scherprechters willen hen best als `goede vertellers' kwalificeren, maar een grote L krijgen zij toch zelden opgeplakt. Populariteit, veel gelezen zijn, goed verkocht worden - volgens de geleerden mogen dat geen redenen zijn om zo'n auteur zonder meer tot de hogere letterkunde te rekenen.

Nee, wij moeten vooral analyseren of een roman, een verhaal, voldoende de diepte ingaat. Het boek moet vooral niet al te lekker weglezen, het moet geen bonbon zijn zoals mijn Polly bijna gedachtenloos genietend tot zich nam. En hoe dieper een schrijver de Grote Waarheden onder woorden begraaft, des te mooier zullen die knappe koppen dat vinden. Een `moeilijk' boek is immers een onuitputtelijke Fundgrube voor dissertaties, essays, colleges. Moeilijk toegankelijke boeken en schrijvers verschaffen de pluizers onder ons voor jaren brood op de plank.

Dit klinkt allemaal wat raillerend en ik ga natuurlijk veel te kort door de bocht, er vallen veel diepzinnige dingen over dit thema te zeggen, maar dat past gewoon niet in het verhaal dat ik hier en nu sta af te steken.

Wat ik net beweerde - over het graven in woordbergen naar Grote Waarheden - is bijvoorbeeld meteen al in tegenspraak met hetgeen ik de deelnemers aan de werkgroepen die ik de eer heb dit trimester als gastschrijver te ontmoeten, probeer te vertellen over vier auteurs die inmiddels klassiek zijn, dus voor alle examens geslaagd, en die helemaal geen zogeheten `moeilijke' boeken schreven. Kristalhelder, zonder bombast, zonder schijnbewegingen, maar recht op de man af - zo schreven Guy de Maupassant, F.Scott Fitzgerald, W. Somerset Maugham en Arthur Schnitzler. Alle vier allang dood, maar hun romans novellen, verhalen, toneelstukken hadden vorige week geschreven kunnen zijn.

Op gezette tijden komt iemand op het idee om een lijst op te stellen van de tien of twintig beste voetballers, mooiste films, grootste politici van de 20ste eeuw. Vorige maand waren schrijvers aan de beurt. Ziehier de beste Engelstalige boeken van onze eeuw, verklaarde de Amerikaanse uitgeverij Modern Library en publiceerde een shortlist en zelfs een longlist, zoals dat hoort. Dat had meteen het bekende effect onder het lezend publiek: waarom staat dat boek er niet op, en dat boek niet, en waarom staat dat meesterwerk op de 30ste plaats en niet bovenaan?

De top-5 van Modern Library: 1. Ulysses, van James Joyce; 2. The Great Gatsby, van F. Scott Fitzgerald; 3. A portrait of the Artist as a young man, weer van Joyce; 4. Lolita, van V. Nabokov; 5. Brave new world van A. Huxley.

De longlist, die een soortement van jury te beoordelen kreeg, was 440 nummers lang. Daarop paraisseerden 21 titels van de nog springlevende schrijver Gore Vidal en die blijkt dan later lid van de raad van bestuur van Modern Library te zijn.

Eenentwintig titels van Gore Vidal! Dat zijn meer boeken dan er van William Faulkner Henry James en Joseph Conrad tezamen goed genoeg voor de longlist werden bevonden. Nou, dat is lachen natuurlijk.

Behalve met het debatteren over zo'n nietes-welleslijst als van Modern Library, zou een literair avondje ook heel gezellig te vullen zijn door de vraag in de groep te gooien: moeten we die en die schrijvers nu wel of niet tot de officiele letterkunde rekenen?

Laat ik meteen maar zeggen dat ik zelf die vraag totaal oninteressant vind. Voor mij maakt het uiteindelijk niets uit of mijn eigen geliefde schrijvers op een sjieke of op een ordinaire lijst terecht komen. Als ik eenmaal een perfekte, intieme, dierbare band met een boek heb, zoals je die alleen met een geliefde kunt hebben, dan komt dat boek op mijn lijst, ook al is het door de wetenschap unaniem met alle duimen omlaag, voor eeuwig als onbenullig, triviaal prutswerk bestempeld. U begrijpt dat na het op tedere, onbevangen leeftijd verorberen van die bandoengse bejaardenboekerij op mijn lijst van favorieten een paar van dergelijke romans hoge plaatsen innemen. Nu geef ik mij dan maar bloot door een paar titels te noemen van dierbare geliefden.

Onder mijn eerste twintig mooiste boeken komt u tegen maar dan nu wel naast Goethe's Werther en Thomas Manns Tonio Kroger: Lost Horizon van James Hilton, waarin hij de naam `Shangri-la' tot een begrip maakte; Liebe und Tod auf Bali, van Vicki Baum, om dit boek en vele andere van Vicki ben ik nog in het kamp op haar verliefd geworden; Carriere van Ferenc Kormendi. Duimendikke weemoed en erotiek in het vooroorlogse Budapest; Rebecca, van Daphne du Maurier. Vol sinistere geheimzinnigheid.

Deze schrijvers schiepen voor mij onvergetelijke personages. Van hen leerde ik als pril pubertje echt lezen. En toen ik zelf mijn eerste, kinderlijke, onbeholpen schrijfpogingen ondernam, heb ik steeds brutaal bij hen de kunst van het vertellen proberen af te kijken. Sommigen van u zullen nu misschien denken: dat is nog altijd te merken.