Tussen het simpele ja of nee; Pamfletten en manifesten van de 20ste eeuw

Het ultieme manifest zou kunnen volstaan met slechts twee woorden: ja en nee. Nee tegen alles wat wordt afgewezen, ja voor alles wat wordt toegejuicht. De meeste schrijvers van manifesten waren minder alomvattend in hun ambities en hadden daarom meer woorden nodig om hun bedoelingen kenbaar te maken. Nee en ja zijn er niettemin altijd in terug te vinden tenminste als het om artistieke manifesten gaat.

Kunstenaars en schrijvers laten het zelden bij alleen een protest dat genoeg heeft aan een krachtig uitgesproken nee.In het zojuist verschenen Penguin Book of Twentieth-Century Protest, dat begint met een klacht tegen de lynchpraktijken in de Verenigde Staten uit 1900 en eindigt met Tony Benns afwijzing van het voorgenomen bombardement op Irak uit 1998, komen dan ook weinig schrijvers en kunstenaars voor. Het blijft bij het gemopper van Shaw op de kledij van de dames in de Londense opera Gide's ontmaskering van het communisme in de jaren dertig, Solzjenitsyns onthullingen over de Goelag Archipel, Kundera's verdediging van Salman Rushdie tegen de Iraanse ayatollahs, en nog zo het een en ander.

Sloopwerk

Toch hadden enkele fragmenten uit de manifesten van de avant-garde uit de eerste eeuwhelft niet misstaan in deze compilatie. Want aan het ja van de avant-garde gaat altijd een nee vooraf. Om ruim baan te maken voor een nieuwe opvatting van kunst of literatuur moet eerst korte metten worden gemaakt met de oude, en dit sloopwerk is door de twintigste-eeuwse avant-garde met onbekrompen energie aangepakt. Futuristen, dadaisten en surrealisten richtten zich niet alleen tegen hun directe voorgangers; het ging hen om de autonome status die kunst en literatuur in de loop van de negentiende eeuw hadden verworven en die in hun ogen was uitgelopen op een funeste maatschappelijke steriliteit.

De avant-garde wilde de kunst opnieuw een directe invloed op het leven geven. Daarvan getuigen haar talloze manifesten, waarin telkens het revolutionaire verlangen wordt uitgesproken de kunst te doen opgaan in de praktijk van het leven en omgekeerd. De scheidslijn tussen kunst en niet-kunst, tussen kunstenaars en publiek moest verdwijnen, met een totale esthetisering van de werkelijkheid als beoogd resultaat.

Helemaal nieuw was dit streven niet, want ook de romantici droomden al van zo'n esthetisering. Zo beschouwde Novalis de wereld als een `kolossale roman' en voorspelde Schelling dat wetenschap en filosofie in de toekomst weer terug zouden vloeien in de `oceaan' van de poezie, waaruit zij ooit waren vertrokken.

Met de romantiek begint ook het belang van het artistieke manifest. Niet langer opgenomen in een traditioneel politiek, sociaal en religieus verband, spreken dichters en kunstenaars voor het eerst uit naam van de toekomst. Zij werpen zich op als de voorlopers van een nieuwe, vooralsnog utopische werkelijkheid, die via hun inspanning naderbij wordt gebracht. Om die inzet duidelijk te maken zijn schilderij, roman of gedicht alleen niet voldoende; omdat de oude esthetische categorieen niet meer opgaan, is ook een commentaar noodzakelijk geworden, dat het publiek attendeert op de nieuwe opvattingen en intenties waaraan het kunstwerk zijn bestaan te danken heeft.

Soms wordt dat commentaar in het kunstwerk zelf opgenomen, zoals in Friedrich Schlegels roman Lucinde uit 1799, maar vaker vindt het een plaats in het voorwoord. Afzonderlijke manifesten, die ook deze naam dragen, zijn in de negentiende eeuw nog betrekkelijk zeldzaam, met uitzondering van het Communistisch Manifest van Marx en Engels, maar dat heeft weer niets van doen met kunst of literatuur. In de kunsten doet het manifest zijn intrede op 20 februari 1909, toen de Italiaanse dichter Marinetti het Futuristisch Manifest publiceerde op de voorpagina van Le Figaro. Daarna is het hek van de dam, en volgt een stortvloed van manifesten die alle de lezers trachten de overtuigen van het nieuwe en ongehoorde dat zij te bieden hebben.

Binnen de moderne literatuur wordt het manifest zelfs een apart genre, al valt het niet mee er een exacte definitie van te geven, zoals Hubert van den Berg betoogt in de interessante bundel Manifeste: Intentionalitat, waarin allerlei aspecten van het genre aan bod komen. Soms worden ook gedichten, verhalen of romans opgevat als manifesten, wanneer zij op exemplarische wijze de nieuwe opvattingen belichamen. Andere bijdragen aan de bundel demonstreren de mogelijke spraakverwarring door een fotoboek met onderschriften als Negerplastik uit 1915 van Carl Einstein (dat van grote invloed was op de belangstelling voor het primitieve in de Duitse avant-garde) voor een manifest te laten doorgaan, terwijl tevens schetsen voor gebouwen en zelfs gerealiseerde gebouwen (bijvoorbeeld de Van Nellefabriek in Rotterdam) als manifesten van de architectonische avant-garde worden besproken.

Nu is dit soort genre-problematiek vooral een zorg voor de literatuurwetenschap. De gewone lezer is er al lang aan gewend dat de generieke grenzen veel van hun scherpte zijn kwijt geraakt. Maar het is goed om te bedenken dat de avant-garde daar het nodige toe heeft bijgedragen, juist doordat zij de kunst zo ruim wenste op te vatten. De ontkenning van de esthetische autonomie maakt het in principe mogelijke alles tot kunst uit te roepen, en dat is ook gebeurd. Beroemd en berucht zijn nog altijd het urinoir en het flessenrek die de dadaist Marcel Duchamp tot kunstwerken verhief en die je vanwege hun exemplarisch belang dus evengoed manifesten zou kunnen noemen.

Maar met dadaistische manifesten is het oppassen geblazen. Van alle avant-gardebewegingen heeft het dadaisme ongetwijfeld de meest destructieve uitwerking gehad op de traditionele ideeen over kunst en literatuur.

Dada vertegenwoordigt meer dan wat ook de anarchie binnen de avant-garde. En dat is ook voor de manifesten van deze beweging niet zonder gevolgen gebleven. `Ik schrijf een manifest en wil niets, en toch beweer ik een en ander, en ben in principe tegen manifesten, zoals ik ook tegen principes ben', schrijft de dichter Tristan Tzara in een van zijn 7 Dadamanifesten, die zojuist op aanstekelijke wijze in het Nederlands zijn vertaald.

Terwijl futuristen, surrealisten en expressionisten hun best doen de nieuwe wereld en de nieuwe mens die zij aankondigen met enige precisie te omschrijven probeert Tzara de toekomst juist zoveel mogelijk open te houden. Ook bij hem is sprake van `nieuwe mensen', maar hij gaat niet zo ver om van tevoren vast te leggen hoe die eruit zouden moeten zien. De utopie blijft slechts een mogelijkheid, op grond van de twijfel, de beweeglijkheid en het open oog voor het onbekende, waarvoor hij wel een hartstochtelijk pleidooi houdt. De profetische pretentie, nooit afwezig bij de andere avant-gardebewegingen, wordt niet ingevuld.

`Dada betekent niets' klinkt het provocerend. En als een literair acrobaat zien we Tzara jongleren met de problemen die dit uitgangspunt hem oplevert. `Contradictie en eenheid der tegendelen kunnen op een en hetzelfde moment waarheid zijn', schrijft hij bijvoorbeeld. Op deze manier ontstaat een tekst die nog het dichtst in de buurt komt van het ultieme manifest waarin ja en nee niet alleen voorkomen maar zelfs samenvallen. Als het manifest een apart genre is, dan zijn deze Dadamanifesten er de meest volmaakte voorbeelden van, juist omdat ze nauwelijks naar iets buiten zichzelf lijken te verwijzen. Het manifest is hier geen middel, maar eerder een doel dat ter plekke realiseert wat het te zeggen heeft.

Ironisch is alleen dat het Dadamanifest tegelijkertijd - en ditmaal onbedoeld - suggereert, waarom alle pogingen van de avant-garde om uit de kunst een nieuwe wereld en een nieuwe mens te laten ontstaan op niets zijn uitgelopen. De in wezen onmogelijke `waarheid' die Tzara najaagt is immers alleen waar en overtuigend binnen de begrenzing van de esthetische autonomie, die de avant-garde had willen opruimen. Behalve als historische curiositeiten lezen we zijn zeven Dadamanifesten, evenals de manifesten van de overige avant-gardebewegingen, nu als literatuur. Was de avant-garde in haar opzet geslaagd, dan zouden we waarschijnlijk niet eens meer hebben geweten wat daarmee wordt bedoeld.