Topsporter Ritzen

Hij werd die nacht `volstrekt in kramp en paniek van de pijn' wakker. Nog geen anderhalf jaar minister en al overmand door de stress. Dokter erbij maar de volgende ochtend om half negen weer keurig op het departement. En niemand met wie hij over zijn toeval spreekt. Want, een minister mag niet zwak zijn. In de politiek geldt de wet van de jungle: wie ziek, zwak of misselijk is, verliest onmiddellijk, zo weet hij maar al te goed.

Hij noemt zijn vak topsport, `topsport op het pluche'. Altijd alert zijn en nooit versagen. Daarom rookte hij niet en dronk hij nauwelijks en bracht hij zichzelf in trance als hij weer een moeilijke vergadering van de ministerraad tegemoet ging.

Nee, hij mocht niet redelijk zijn. De woorden `eigenlijk' en `vrijwel' moest hij vermijden, oefende hij 's ochtends al onder de douche. `Dus ben ik vandaag de redelijkheid voorbij en zal ik de toorn van dertien collega's onverstoorbaar op mij laten neerdalen en stuurs, onbewogen en een beetje kwaad nee zeggen', zo nam hij zich voor.

Jo Ritzen, minister voor onderwijs in twee kabinetten, noteerde negen jaar lang zijn belevenissen als bewindsman in schriftjes met een harde zwarte kaft. Om zijn ervaringen te ordenen en zijn inzichten te vergroten. `Ik ben gaan schrijven om te begrijpen, om systeem te ontdekken in de gekte', verklaart hij zijn arbeid. Drie maanden minister-af heeft hij het resultaat samengevat in een `handboek' voor ministers.

Een handboek voor ministers? Hoezo, die lui worden toch meestal uit kleine kring gerecruteerd? En eenmaal minister verzuipen ze direct in het werk. Komen ze aan denken, laat staat aan lezen niet meer toe, leert de praktijk. Trouwens, voor de zittende regeringsploeg komen de wenken aan de late kant, want een minister moet zijn zaakjes in de eerste 100 dagen op orde hebben, wil hij in de loop van de kabinetsperiode succes boeken, doceert de oud-bewindsman.

Mis iedereen kan in dit land minister worden. Dus iedereen moet weten wat het werk inhoudt, vindt Jo Ritzen. Een meisje voor dag en nacht een Assepoester, ben je: `ze dweilt, schrobt en veegt. En vooral: ze tobt', noteert hij.

Al is die laatste bezigheid misschien vooral een sociaal-democratische taakopvatting van het ministersambt.

Jo Ritzen heeft waardevol werk verricht. Zijn handboek is een heldere analyse van het krachtenveld waarin de minister moet opereren. Met interessante waarnemingen uit de binnenkamer van de macht. Maar het is geschiedschrijving met een schoolkaft erom: ieder hoofdstuk eindigt met eeen rijtje lessen. Zo moet de minister iedere week een dag op werkbezoek moet hij op zijn departement zelf de regie en zijn tijdsindeling regelen (inclusief wat er iedere dag in de loodgieterstassen mee naar huis gaat) en moet hij in de ministerraad de premier maximaal medeplichtig maken voor zijn beleid.

Het handboek is ook niet steeds een handboek. Het is regelmatig een saluut van Jo Ritzen aan Jo Ritzen. Ritzen, die wel een zeer actieve, maar niet overwegend een succesvolle minister was, schrijft zijn eigen geschiedenis voor anderen het doen. Want, hij is toch maar mooi de minister die het meest voor studenten opkwam. `Goed volk, mijn mensen of goud', noemt hij ze. En wat te denken van zijn werklust: moesten zijn ambtenaren niet ongeveer gympies aanschaffen om hem bij te houden? En wist iedereen ook wel dat Jo Ritzen het wekelijkse bewindsliedenoverleg van de PvdA-ministers voorzat als Wim Kok er niet was. En dat hij op werkbezoek in China zijn gastheren ook in het Chinees te woord stond. En hij zijn collega's in de ministerraad graag de baas was, maar hij hen anders dan anderen hem geen kunstjes flikte.

Kortom: de ideale minister. Waarom is zo'n man eigenlijk na negen jaar niet nog een periode gevraagd, vraag je je bijna af.

Ritzens handboek is eerder staatsinrichting dan geschiedenis.

De voormalige hoogleraar economie geeft een ordelijke beschrijving van de arena's waarin de minister opereert en de tegenkrachten die hij ontmoet. Maar hij is karig met `petites histoires' die de analyse versterken.

We kenden uit eerdere publicaties al het anonieme briefje dat hij op de eerste dag op zijn bureau aantrof: minister, u heeft een tekort van 100 miljoen op de wachtgelden, stond erop. We kenden nog niet de ruzie die Wim Deetman, zijn voorganger had, met diens toenmalige top-adviseur en latere staatssecretaris onder Ritzen, Roel in 't Veld. `Wie is hier eigenlijk minister, u of ik?' vraagt Deetman zijn adviseur op enig moment getergd. Waarop in 't Veld antwoordt: `Als u het toch vraagt, wil ik het wel zijn.'

Deetman, wiens `winter' vooraf ging aan het ministerschap van Ritzen dat geen lente werd, komt eigenlijk alleen in negatieve zin voor in het boek. Loek Hermans, de liberale ovolger van de sociaal-democraat Ritzen bestaat eenvoudigweg niet. Jo Ritzen is wel aangetreden, maar kennelijk niet opgevolgd. Maar goed, hij wist ook al tijdens het schrijven van zijn dagboeknotities dat hij `een ietsiepietsie' deel uitmaakte van de geschiedenis.