Liefde in oorlog

Het moet de Tweede Wereldoorlog wel zijn waarin Harm de Jonge's Jesse `ballewal-tsji' zich afspeelt. `Ballewal-tsji' is een woord dat Jesse steeds zegt. Het is een krachtterm. `Kijk zelf, ballewal-tsji'. Of: `Weet je dat niet, ballewal-tsji!'

Het komt uit het Romani, de taal van de zigeuners. Jesse zal wel een zigeuner zijn, wat ook al af te leiden was uit zijn donkere ogen, die alle mensen in zijn buurt hebben, aan de woonwagenmensen die in zijn buurt wonen, uit wat we horen over rondtrekkende muzikanten. En uit het feit dat de mensen die wonen in de wijken waar Jesse vandaan komt, wijken die `de Zwarte Oost' en `de Diepe Oost' heten, worden weggevoerd door de soldaten en naar de trein gebracht. De soldaten blijven ook onbenoemd. Ze komen uit `het land van de soldaten', ze wonen in het `soldatenhuis' aan het `soldatenplein' en ze eten `soldatenworst'.

Het is duidelijk dat het niet om zulke dingen gaat. Het belang van dit verhaal is niet van historische aard. De oorlog is alleen belangrijk als uitzonderlijke omstandigheid. Het is door de oorlog dat de Diepe Oost is gebombardeerd waardoor alle overlevenden nu opeengepakt in de Zwarte Oost wonen. Het is de oorlog waardoor mensen verdwijnen, de oorlog die de dreigende aanwezigheid van de soldaten verklaart. De Jonge wil via Rogger het verhaal van een korte, maar hevige vriendschap beschrijven.

Rogger is een jongetje uit een aardig gezin. Zijn ouders zijn bezorgd om hem ze doen hun best eten bijeen te sprokkelen en Roggers vader helpt mensen om onder te duiken. Jesse is er zomaar ineens, een mager kereltje met blote benen ondanks de kou, met bijna geen haar en allemaal kleine wondjes om zijn mond. Jesse is vuurspuwer. Op zijn geboorte-eiland Marrakas, een wonderbaarlijk eiland waar hij veel fantastische verhalen over vertelt, stond hij op de markt. `Weet je dat meisjes het meeste krijgen? Ze zien er wel verschrikkelijk uit die meisjes. Ballewal-tsji! Wenkbrauwen weggebrand, korsten op de lippen, vreselijk!' `Ook helemaal kaal zeker?' `Ze blazen wel eens tegen de wind in.

Dan krijg je dat. Stomme meiden, hoor!'

Jesse woont in zijn eentje in een kelder in de Diepe Oost. Zijn ouders zijn weg. Naar Marrakas, zegt hij. Of Rogger dat gelooft? Het is een erg onwaarschijnlijk verhaal en voor de lezer is het overduidelijk dat Jesse's ouders zijn weggevoerd, maar Rogger laat nergens enige twijfel blijken. Sowieso lijkt hij alles wat Jesse vertelt over Marrakas zonder meer aan te nemen. Rogger is volledig geobsedeerd door Jesse. Verliefd zou je zeggen. Hij verzwijgt zijn omgang met zijn nieuwe vriend voor zijn ouders. Ook zijn schoolvriend vertelt hij niets wat makkelijk kan omdat de school wegens gebrek aan brandstof gesloten is.

Jesse is maar een raar scharminkel. Hij is wel anders dan andere kinderen, in zijn eentje in zijn kelder waar hij kans ziet de kapotte trompet van zijn vader te repareren. Hij vertelt wonderlijke verhalen en hij zegt ballewal-tsji. Dat alles maakt hem blijkbaar onweerstaanbaar voor Rogger, die met hem dingen doet die hij eigenlijk niet durft. Jesse is aan een stuk door bezig met sabotage-acties, hij prikt banden van jeeps en motoren lek met speciaal daartoe geslepen spijkers, hij steelt soldatenworst uit de soldatenkeuken en op een avond fabriceert hij zelfs een `bom' waarmee hij de kazerne op wil blazen. Maar die bom is al net zo onzinnig als zijn verhalen, hij gaat sissend uit. Alleen Rogger gelooft dat hij wel is afgegaan. Want Rogger gelooft alles van Jesse. Ook dat hij naar Marrakas gaat als hij met de trein meemoet.

Het is allemaal goed bedoeld en dit is ook heus wel een aardig boek. Je kunt moeilijk geen sympathie voelen voor deze Jesse die zijn wereld met veel fantasie toch nog een beetje bewoonbaar weet te maken.

Maar hij is ietwat karikaturaal uitgevallen en verteller Rogger een tikje bete. In allerlei opzichten is dit boek een soort vereenvoudigde en gekrompen versie van Jan, mijn vriend van Peter Pohl. Maar waar dat bloedstollend en huiveringwekkend was, blijft De Jonge iets teveel in de sprookjessfeer steken met zijn flauwe woordjes en zijn net iets te ruime vertelstijl. Het boek krijgt geen stemming of sfeer. Het blijft net als Marrakas, het land van de suikerspinnen en de worstenbroodjes, weinig overtuigend.