Het museum zelf is het kunstwerk

Zet vormgevers en sociologen bij elkaar, laat ze met elkaar praten en er ontstaat verwarring en irritatie. Ze bekommeren zich om verschillende dingen, stellen andere vragen, gebruiken andere begrippen en vinden de vragen van de ander niet erg ter zake. En laten die ook vervolgens geheel links liggen. Om het belang van de eigen benadering te onderstrepen wordt die van de andere groep geanalyseerd, waar die anderen dan weer gestoken op reageren.

Dit klassieke spel werd laatst weer levendig opgevoerd in het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, waar een symposium werd gehouden over de nieuwe museumarchitectuur (op 6 november, georganiseerd samen met de Boekmanstichting). Nu zou het eens niet gaan over de esthetiek van de gebouwen, maar over hun sociale betekenis: wat moeten al die nieuwe musea, waarom zijn ze er, waar voorzien ze in, wat zeggen ze over deze cultuur. Elementaire vragen, dit keer niet gesteld aan architecten en opdrachtgevers, maar aan zes sociologen die de opdracht kregen er op uit te trekken, met fototoestel en notitieboek, ieder naar een ander museum. Ik was een van hen, kreeg als bestemming Santiago di Compostella, waar de Portugese architect Siza een nieuw museum heeft neergezet (dezelfde architect die ook de uitbreiding van het Stedelijk Museum zal bouwen).

Dit was het leukste verzoek sinds tijden. Vooral de openheid van de opdracht trok me aan: goed kijken, denken, noteren: elementaire vaardigheden van het vak. Santiago is bovendien een prachtige middeleeuwse Spaanse stad, een oude bedevaartsplaats die nog steeds duizenden pelgrims trekt - ik verdenk de meeste van hen ervan tegenwoordig per fiets of auto te komen. Een stad die vol is van zichzelf en niet opgekrikt hoeft te worden door een nieuw museum.

Zoals bijvoorbeeld Bilbao, een verkommerde Noord-Spaanse stad waarin het nieuwe Guggenheim-museum als injectie fungeert. Als geslaagde toeristische attractie een meesterzet in city marketing, betoogde Paul Schnabel, een van de op pad gestuurde sociologen.

Maar Santiago heeft zoiets niet nodig. De mensen trekken er al heen, al is het voor iets anders: de grote kathedraal, de eindbestemming van de eens zo lange en barre pelgrimstocht.

Niet dat het nieuwe museum niet mooi is. Eenmaal de buitenkant getrotseerd - het ligt daar als een werend fort, als een streng granieten mausoleum - treed je een andere wereld binnen: helder ruim, prachtig van lijn en licht, met steeds andere perspectieven, lijnen en vormen.

Maar eenmaal weer buiten drong het tot me door dat ik de enige bezoeker was, en dat ik de kunst die er tentoongesteld was eigenlijk volkomen overbodig vond: bewerkt hout, allerhande vage objecten schilderijen die me weinig zeiden. Het getoonde kleedde hoogstens het gebouw aan, als een wat onbenullige versiering.

Maar het museum is ook gebouwd zonder collectie; in tegenstelling tot de vroegere musea die gebouwd zijn of gebruikt worden om collecties te tonen en te bewaren. Van dit museum zul je je na bezoek vooral het gebouw herinneren - de ruimtes, de lichtval, de vormen - en nauwelijks het getoonde. Het gebouw is het echte kunstwerk.

Dit roept natuurlijk vragen op en daar was de excursie ook om begonnen. Waartoe dit museum, voor wie bedoeld, met welk oogmerk? Ik denk in de eerste plaats ter verhoging van het prestige van de stad en haar bestuurders. Elke zichzelf respecterende stad wil tegenwoordig een museum, zoals vroeger een schouwburg en een cultureel centrum. In de concurrentieslag tussen steden is het nieuwe museum het pronkstuk par excellence geworden.

Maar als elke stad met hetzelfde wil excelleren wordt de druk versterkt om het gebouw steeds opzienbarender te maken. Dan wordt het museum het kunstwerk, en geldt het primaat van de vorm, waaraan andere overwegingen en belangen ondergeschikt zijn gemaakt. Zoals die van de mensen die er werken, en die dat moeten doen in kleine, benauwde vertrekken, zonder uitzicht en frisse lucht (de ramen kunnen niet open).

Maar opgenomen in hun eigen vormwereld hadden de architecten en andere museummensen weinig boodschap aan dit commentaar. Ze vervolgden hun eigen verhaal, in hun eigen idioom zichzelf verheffend boven de banaliteit van de sociologische blik. Vanuit grote en gewijde hoogte.